Startpagina

1 omhoog

Oude prenten

Auteursrechten

Email kontakt

 

 

Huis te Velsen

 

 

Met opzet hebben we eerst geschreven over Adrichem, omdat dit het oudste kasteel in Velsen geweest is. Aangezien dit echter zo ver in de historie terruggaat, is het niet goed mogelijk uit de situatie in de 12e en 13e eeuw af te leiden, of er een relatie met Adrichem bestaan heeft.
 

In de 12e eeuw worden personen genoemd met de bijnaam ‘Van Velsen’, zonder dat er enig verband te ontdekken is in hun onderlinge samenhang.
In de 13e eeuw leefde de beruchte Gerard van Velsen, de moordenaar van Floris V, die echter nauwelijks enige betrekking had op Velsen. Hij heeft het ambacht van Beverwijk en dat van Noordwijk. Toch moet hij afkomstig zijn uit Velsen, naar zijn naam te oordelen althans. Zullen we eens een  reconstructie proberen? We stellen dan de volgende hypothetische stamreeks op:

 

We noemden Hugo van Naaldwijk hij bezat het ambacht van Velsen door zijn huwelijk met de erfdochter. Bovendien was hij door zijn huwelijk Maarschalk van Noord-Holland geworden. Dit maarschalk-ambt hoorde toe aan de heren van Voorne, die het blijkbaar in leen gegeven hadden aan de heren van Vdsen of Van Noordwijk..

Heer Hugo van Naaldwijk ontving van graaf Willem ll  verlof om het ambachtt Velsen te verkopen aan Willem heer van Brederode (29 april l255).

Het ambacht behoorde sedert die datum aan de Heren Van Brederode Het ambacht van Velsen was toen al gescheiden van het kasteel, want dat behoorde ca. 1255 toe aan heer Nicolaas Persijn van Haarlem. Deze woonde er ook, want hij liet er een oorkonde uitvaardigen. Hij was een zoon van Jan Persijn (vermeld 1204-1224), die getrouwd was met een dochter van Simon van Haarlem, vandaar dat zijn zoon Nicolaas ‘Persijn van Haarlem’ genoemd wordt .

Als we ervan uitgaan dat het ambacht oorspronkelijk bij het kasteel behoord heeft, moet de genoemde Jan Persijn wel een afstammeling zijn uit de clan Velsen-Noordwijk, maar we weten niet hoe dat precies in elkaar zit.

Heer Nicolas liet een zoon na, Jan Persijn van Velsen, die in 1252 al ridder was en op 26 december 1283 overleed. Een broer van Jan was heer Willem Persijn, pastoor te Velsen, die te Utrecht in gevangenschap raakte, waaruit hij zich vrij moest kopen (1278). Dat het bezit van kasteel en ambacht gescheiden waren, bleek nog eens duidelijk toen graaf Floris aan Nicolaas Persijn van Velsen, zoon van bovengenoemde Jan Persijn van Velsen, het kasteel te Velsen in leen gaf (1290). Olpvallend is het dat de Persijns zich ‘heren van Velsen’ bleven noemen ofschoon het ambacht in het bezit was van de Brederode’s.

Mjsschien hadden zij het hoge en/of lage rechtsgebied (ambacht) binnen de grachten vam hun kasteel in leen. Dat gebeurde wel vaker (Oud-Haarilem, Marquette etc.) .

Met de heer van Brederode stond Nicolaas op goede voet, want van hem ontving hij verlof om zijn beesten in en om het huis te Velsen te doen wei- den in de duinen aldaar. Bovendien mocht Nicolaas een schutter aanstellen voor de bewaking van zijn vee, zoals ook zijn vader gedaan had.
De Persijn’s hadden pok nog andere rechten in Velsen, zo bezaten zij o.a. de molen in het dorp. De Persijn’s waren tevens heren van Waterland en de
inwoners van dat gebied (Monnickendam en omgeving) moesten datgene wat zij aan hun heer verschuldigd waren, afdragen op zijn huis te Velsen.
Met Jan Persijn, die in 1353 overleed - zoon van de laatstgenoemde Nicolaas Persijn - stierfde tak van zijn geslacht, die het huis te Velsen bezeten
dochters zijn lenen niet zouden mogen erven, omdat het recht van erfopvolging alleen aan zoons toekwam. Maar op 24 juli 1331 gelukte het hem ook erfrecht voor zijn dochters te krijgen. Vanwege zijn grote verdiensten en ook omdat ‘zijn vader in s gravendienst doodgebleven was’, werd dit hem door graaf Willem lll  toegestaan.
Toen Jan Persijn in 1353 stierf, volgde zijn dochter Catharina Persijn hem
in de heerljkheid van (half) Waterland en het bezit van het huis te Velsen op. Zij trouwde met een Brabants edelman Willem van Wesemale, ridder en maarschaik van Brabant. Doch het echtpaar liet geen kinderen na, zodat een aantal erfgenamen de strijd over haar erfenis met elkaar aanbonden.
De meest serieuze kandidaat hiervoor bleek Floris van Haemstede te zijn.
Deze was namelijk een zoon van jvr. Goede, dochter van Jan van Haarlem en Jutte Persijn (dochter van Jan Persijn heer van Waterland). Goede, meestal Van Bergen genoemd, was in 1321 getrouwd met Floris heer van Haemstede (vermeld 1321-1345).
Op de finesses ban de erfniskwestie gaan we niet nader in, omdat het kasteel al spoedig uit het bezit van de Haemstede’s raakte. Op 21 juni 1391
verkocht Floris van Haemstede het huis te Veken aan zijn neef Gijsbrecht van Nijenrode.

Deze Gijsbrecht was een zoon van Gerard van Nijenrode en Maria Persijn van Velsen.Om de erfenis van vrouwe Catharina te krijgen. Door koop was hij dus ten slotte toch nog in het bezit van het huis te Velsen gekomen. Hij kocht dit niet om er zelf-te gaan wonen, want hij hield zijn verblijf op het huis te Nijenrode bij Breukelen. Zijn nieuwe aanwinst gaf hij in leen aan zijn zoon Jan van Nijenrode (19 november 1391), waarschijnlijk met het oog op zijn huwelijk met Margaretha van Mijnden, met wie hij op 16 augustus 1392 huwelijkse voorwaarden aanging.

Maar ook aan het bezit van de Nijenrode’s kwam weer een einde. Op 23
februari 1542 werd Frans van Nijenrode beleend, die gehuwd was met Johanna van Zuijlen van de Haer. Daar zij slechts dochter nalieten, kwam het huis te Velsen in handen van de familie van der Does, daar deze
Does heer van Noordwijk, die in 1550 overleed.
Hun zoon Jan van der Does heer van Noordwijk is in de geschiedenis bekend of liever beroemd geworden ds Janus Dousa. Hij studeerde te Leuven, Douai en Parijs. Op 22 September 1566 huwde hij met Elisabeth van Zuijlen van de Haer. Hij deed mee met het Verbond der Edelen, maar bleef ongemoeid, daar hij de katholieke kerk trouw gebleven was. Pas later ging hij tot het Calvinisme over en in 1572 kiest hij definitief de kant van de opstand. Met succes hielp hij Leiden verdedigen tegen de Spanjaarden.

Na het ontzet nam Janus Dousa deel aan de stichting van de Universiteit van Leiden, waarvan hij de eerste curator was. Staatkundig was Janus bijzonder actief; wij gaan daar niet verder op in. Op 12 oktober 1604 is hij in Den Haag aan de pest gestorvqn.

Het huis te Velsen werd gerfd door zijn dochter Anna van der Does, die op 28 mei 1600 trouwde met Casper van Ewsum heer van Nienoord, een Fries edelman en drossaard van Coevorden. Hij overleed in 1639 en liet een dochter na, Anna van Ewsum geheten. Zij was getrouwd met Carel enige dochter Anna van Nijenrode in het huwelijk trad met Johan van der Hieronymus baron von Inn- und Kniphausen, die lid was van de Staten van Groningen en als zodanig ook lid werd van de Staten-Generaal. Toen hij. op 31 juli 1664 te 's-Gravenhage overleed, liet zijn weduwe door de beroemde beeldhouwer Rombout Verhulst voor hem in de kerk te Midwolde een marmeren graftombe bouwen.
De baron zal zijn huis te Velsen weinig bezocht hebben. Een aantrekkelijk
buitenverblijf was het beslist niet, want het was meer een ru'ine dan een bewoonbaar huis. Wanneer het oude slot verwoest werd, is niet bekend.
Vier jaar voor zijn dood (4 februari 1660) verkocht de baron de ruďne met
het daarbij behorende land aan Joan Hulft, koopman te Amsterdam voor de toch niet geringe som van fl. 11.500, die hij overigens best betalen kon, want in 1674 bedroeg Joans vermogen fl. 200.000!
Door deze verkoop kwam het huis te Velsen in het bezit van een niet-adelijk geslacht. Zoals reeds herhaaldelijk is opgemerkt, werden in de 17e
eeuw heerlijkheden en kastelen zoveel mogelijk opgekocht door rijket geworden kooplieden, die himdoor hun blazoen wilden vergulden. De zoon van bovengenoemdeJoan Hulft (gehuwd geweest met Margaretha Cloeck), mr. Pieter Hulft, erfde het huis te Velsen. Op het landgoed bracht hij een kostbare verzameling uitheemse planten bijeen. Zijn vader was met de restauratie of nieuwbouw begonnen, want Ludolf Smids vertelt ons dat 40 jaar geleden (zijn boek verscheen in 171 1) de heer Jan Hulft de ‘drie sijdmuiren van dit oude kasteel in een nieuw huis heeft ingesloten: sijnde dan heden in de linkerzijde het koetshuis van deze lustplaats; in de rechtersijde een gallerijtje nevens het vaathuis van de keuken; en in deach- tersijde eet- en slaapkamers, met vensteren, siende naar den vijver en de plantagien’.

Het oude muurwerk werd dus niet afgebroken maar in de nieuwbouw opgenomen. Ludolf Smids merkt op dat de zichtbare mine maar een klein gedeelte was van het oude slot bij de Hagelingenweg, en dat de hndamenten van de ru‘ine zich uitstrekten tot onder de belendende buitenplaats van de heer Papenbroec. We kunnen ons dus in het geheel geen beeld vormen van het oude slot. Volgens het formaat van gevonden stenen, in het in het begin van de 1 3 eeuw gebouwd moeten zijn. Mr. Pieter Hulft overleden 1694.
Zijn zoon, mr. Jan Hulft geheten, gehuwd met Antonia Hop, was wel de
laatste van zijn familie die het huis te Velsen bewoonde. Hij stierf in 1727 en zijn vrouw in 1729. Vermoedelijk verhuurden zij het kasteel, want Ludolf Smids vertelt ons dat hij het geld gehad heeft ’van het huis te zien’. Hij logeerde er enige dagen bij de heer Gerard Rover en diens vrouw,Balichje Hulft geheten (een zuster van mr. Pieter). Op 30 mei 1706 nam hij afscheid van zijn gastheer en gastvrouw met het gebruikelijke hoogciravde gedicht. Bovendien bericht hij nog dat het huis heden (1711) eigendom is van mevrouw de weduwe Trigland.

Hoe was de weduwe Trigland in he( bezit gekomen? Mr. Pieter Hulft schepen van Amsterdam, was eerst gehuwd met Susanna Loten. Na de dood van haar man hertrouwde deze op 17 december 1699 met ds. Jacob Trigland, hoogleraar in de theologie te Leiden. Aangezien Susanna Loten pas in maart 1738 is overleden, moet zij de weduwe Trigland geweest zijn eerder weduwe van Pieter Hdfi, die in de tijd van Ludolf Smidt het huis bezat. Haar kleinzoon Comelis Hulft overleefde haar: hij stierfin 1743. Onmiddellijk na zijn dood werd het huis gesloopt, na nauwelijks 50 jaar te hebben bestaan.

Uit pieteit voor het verleden heeft men de restanten van het oude slot laten staan. Deze markeerden het terrein totdat ook zij in 1804 werden opgeruimd. Door het slopen van de fundering enige tientallen jaren geleden, is er geen spoor meer van te vinden. Het sportveld aan de Hagelingenweg is aangelegd op de plaats waar het kasteel gestaan heeft. Een unieke kans op een onderzoek is hierdoor verloren gegaan. Het terrein moest worden verlaagd en dagelijks werden karrevrachten puin naar elders vervoerd, zodat er nu niets meer te vinden zal zijn.#

 

© Het Hollandse Kastelenteam 2011 - alle rechten  voorbehouden