Startpagina

Lijkwade van Turijn

Tempeliers 2

Edele Families

Auteursrechten

 

 

 

Eerst een overzicht van de eeuwen der kruistochten en de politieke betrokkenheid van de Pausen

 

 

 

 

DE HOLLANDSE DEELNAME AAN DE KRUISTOCHTEN
Scan officieel document

Nederland bestond eind van de elfde eeuw uit een viertal min of meer onafhankelijke gebieden, waarvan de grenzen sterk aan verandering onderhevig waren. Het graafschap Holland besloeg het kustgebied vanaf Vlaardingen tot en met het Kennemerland en Texel. De huidige provincies Utrecht, Overijssel, Drenthe en de stad Groningen werden geregeerd door, de bisschop van het bisdom Utrecht. De bisschop was dus tegelijkertijd wereldlijk heerser en niet ongenegen zijn rechten met het zwaard veilig te stellen. West-Friesland, Friesland en het platteland van Groningen telden een groot aantal aparte boerenrepublieken. In de loop van de twaalfde eeuw zou het graafschap Gelre ontstaan. Net als het graafschap Holland, breidde Gelre in de volgende decennia zijn grondgebied belangrijk uit ten koste van het bisdom Utrecht. Vergeleken met het machtige Vlaanderen, dat van meet af aan een centrale rol in de kruistochten speelde, stelden de noordelijke gebieden niet zo gek veel voor. Hun gouden tijd zou pas in latere eeuwen komen.

De oproep van paus Urbanus II in 1095 drong ook door tot het noorden van Europa. De hoge heren uit Holland voelden zich echter nauwelijks door de paus aangesproken. Zij stonden onder Duitse invloed en ze waren de gang naar Canossa van hun keizer (1077) nog niet vergeten. Wel sloot een groot aantal van hun onderdanen zich aan bij het leger van Godfried van Bouillon. Het waren praktisch allemaal boeren en landarbeiders. Holland was recentelijk geteisterd door overstromingen en misoogsten en dat maakte het boerenvolk onrustig. Het zag deze natuurverschijnselen als een teken dat het einde der tijden nabij was. Friese boeren trokken mee in het volksleger van Peter van Amiens. Het was toen niet gebruikelijk dat het wedervaren van het gepeupel uitvoerig in de kronieken werd vermeld. ,Maar duidelijk is wel dat slechts weinigen van het gewone volk de Eerste Kruistocht overleefden.

Pas in 1139 komen we de naam van een hoge Hollandse edelman tegen: graaf Dirk VI van Holland, leenheer van Kennemerland, Rijnland en het mondingsgebied van de Maas en de Merwede. Hij maakte met zijn vrouw en een aantal ridders een pelgrimstocht naar Jeruzalem. Dat deed Dirk niet in het kielzog van een door de kerk georganiseerde kruistocht. Hij behoorde tot de grote groep Europeanen die tussen 1099 en 1291 op eigen initiatief naar het Heilige Land trok. Op verzoek van de koning van Jeruzalem, Foulques van Anjou, hielp hij deze bij een geslaagde actie tot voorbij de rivier de Jordaan. De paus was Dirk zeer dankbaar en beloonde hem door de abdijen van Egmond en Rijnsburg (die op zijn grondgebied lagen) van de Utrechtse kerk los te maken. De kloosters vielen vanaf dat moment onder de verantwoording van de Heilige Stoel.

Bernard van Clairvaux was, zoals reeds eerder is vermeld, de grote stimulator van de Tweede Kruistocht. In januari 1147 preekte hij een aantal keren in Maastricht. Volgens de kroniek van het klooster Rolduc ging maar liefst 10 procent van de bevolking van het hertogdom Limburg mee. Opnieuw lieten de Hollandse edelen het afweten. Zij gaven de voorkeur aan een kruistocht tegen de ketterse Wenden, die in het huidige Mecklenburg woonden. Op deze wijze konden zij vlakbij en met minder gevaar, net als de overige pelgrims, belangrijke kerkelijke zegeningen verwerven.

Vanuit Holland vertrokken betrekkelijk weinig ridders naar het zuidoosten; zij sloten zich aan bij een Engelse contingent, dat zich per schip naar het Heilige Land begaf. Dit leger veroverde onderweg voor de Portugezen Lissabon op de moren. De soldaten werden daarvoor rijkelijk beloond. In 1184 maakte graaf Floris III, zoon van Dirk VI, een pelgrimstocht naar Jeruzalem en bij de Derde Kruistocht was hij weer van de partij. Samen met zijn zoon Willem vertrok hij met het leger van de Duitse keizer Frederik van Barbarossa; zij namen de route over land. Otto 1, graaf van Gelre, koos een andere weg; hij ging te paard naar Zuid-ItaliŽ en zeilde vanaf Brindisi naar Akko. Friezen en Vlamingen gingen tezamen per schip en na eerst in Portugal gevochten te hebben, voeren ze van daaruit naar het Heilige Land. Hollanders en Vlamingen vertrokken vanaf Walcheren en kregen in Zuid-Engeland versterking van andere Friese zeelieden. Graaf Floris III verrichtte enige diplomatieke missies voor de Duitse keizer. Hij stierf in 1190 in AntiochiŽ. Zijn zoon Willem reisde door naar Akko. Daar trof hij zijn Gelderse, Friese en Hollandse Ďlandgenotení.

Tijdens het beleg van Akko (1190) stierf Rudolf van Seppenrode, burggraaf van Groningen; hij was ťťn van de weinige hooggeplaatste leiders uit het noorden die aan de pelgrimsvaart deelnamen. Na de val van Akko verdeelden de Franse en Engelse kruisvaarders onderling de buit. Uit protest daartegen vertrok daarna praktisch het gehele contingent Hollanders en Friezen naar huis. De broer van Willem had inmiddels de regering van zijn vader overgenomen en Willem moest genoegen nemen met een stukje van Friesland; een paar jaar later volgde hij zijn inmiddels overleden broer als graaf van Holland op.

Een aantal Noord-Nederlanders deed mee aan de Vijfde Kruistocht (1217-1221). Olivier van Paderborn, docent in Keulen, propageerde in Friesland en Groningen de strijd tegen de moslims. Hij was in juni 1214 in Dokkum waar enige duizenden mensen herdachten dat Bonifatius 460 jaar eerder was vermoord. Olivier had ervaring in het prediken van kruistochten, want hij riep in 1207 op verzoek van paus Innocentius 111 op tot deelname aan de strafexpeditie tegen de katharen in Zuid-Frankrijk. De Friezen en Groningers vertrokken in 1217 per schip naar het Midden-Oosten. Bisschop Otto 11, de leider van het Utrechtse contigent, ging over land en sloot zich aan bij het leger van de Hongaarse koning Andreas. De bisschop nam niet deel aan de strijd en beperkte zich tot het herstel van in verval geraakte versterkingen. , Graaf Willem I ging ruim twintig jaar na zijn eerste pelgrimsvaart voor de tweede maal naar het Heilige Land. Omdat hij eerder had meegedaan aan een door de paus verboden Franse expeditie tegen Engeland, dreigde deze hem in de kerkelijke ban te doen. Willem had dus weinig keus. In 1217 vertrok hij uit Vlaardingen met een vloot van 212 schepen. In Zuid-Engeland kreeg hij gezelschap van een vloot van tachtig Friese vaartuigen; zij waren kort daarvoor vanuit de Lauwerszee vertrokken. Olivier van Paderborn was lid van het Noord-Nederlandse contigent en schreef een kroniek over zijn ervaringen: Historia Dumiatina. Graaf Willem kreeg het opperbevel over de gehele vloot, maar die bleef niet lang intact. Opnieuw gingen de Hollanders via Lissabon. De christenen in Lissabon konden elke steun gebruiken. De Friezen en Groningers weigerden de Portugezen te helpen, omdat zij meteen naar het Heilige Land wilden. Zij kozen Rome als tussenstop en werden daar door de paus ontvangen. In 1218 arriveerden de Noord-Nederlanders in Akko. Graaf ĎWillem I hielp de Portugezen met de verovering van de stad Alcazar en kwam een half jaar later in Akko aan. Het verzamelde leger van de kruisvaarders trok naar de Egyptische havenstad Damiate, die in 1219 werd veroverd. Daarbij vervulden de Friezen, Groningers en Hollanders een opvallende rol. Zij voelden zich blijkbaar als een vis in het water in de drassige omgeving van deze stad. Met name een jonge Fries, Hayo van Wolvega, onderscheidde zich bij de vernietiging van een verdedigingstoren. Met een dorsvlegel (!) velde hij de vijandelijke vaandeldrager, Net als bij de vorige kruistocht kregen de Frie-zen, Groningers en de Hollanders zo goed als niets van de buit en eind 1218 vertrokken de meeste noordelingen. Graaf Willem verliet in 1219 Damiate en bezocht op zijn terugreis Frederik 11 in SiciliŽ.

Olivier van Paderborn riep in de jaren 1224 tot 1226 de Friezen opnieuw op mee te doen aan een kruistocht, de zesde. Hij overhandigde de / Friezen een brief van Frederik II, waarin deze hun rol bij de verovering van Damiate prees en hen opriep de dood van hun vrienden te wreken. Paus Honorius III schreef een soortgelijke brief en liet weten Friese deelname op hoge prijs te stellen. In 1227 zeilde een vloot uit Borkum, maar slechts een deel van de boten kwam in Jaffa aan. Door een storm vergingen de meeste schepen met man en muis. De overige noorderlingen gingen kort daarop onverrichter zake weer naar huis. Tijdens de Zesde Kruistocht, een diplomatiek succes van de Duitse keizer Frederik II, werd er namelijk nauwelijks gevochten.

In de periode 1230 tot 1260 deden veel noorderlingen (van hoog tot laag) mee aan de kruisvaart. Het doel van deze vier verschillende kruistochten lag echter steeds in Duitsland. De paus wilde daar afrekenen met een aantal ketterse bewegingen. In 1247 sloten veel Zeeuwen, Hollanders en Friezen zich aan bij de kruistocht van graaf Willem II van Holland. Hij trok naar Aken, waar hij werd gekroond tot rooms koning van het Duitse Rijk. Vanwege zijn conflicten met Frederik 11 had de paus behoefte aan een tegenkeizer. In 1269 werd in Friesland en Groningen opnieuw een kruistocht gepredikt. Nu was het de abt van Dokkum die de mensen opriep mee te doen aan de tocht van Lodewijk IX. Hij wilde dat alleen soldaten meegingen en stelde als eis dat zij voldoende geld en proviand bezaten. Het was vrouwen uitdrukkelijk verboden zich bij hen aan te sluiten. Zij waren op de vorige tochten door de duivel aangezet tot het plegen van ontuchtige handelingen.
Uit Friesland vertrokken in totaal vijftien boten naar Marseille, maar Lodewijk was inmiddels vertrokken. De kruisvaarders volgden hem naar Tunis. Daar bleek dat de Franse koning op het strand van de stad was overleden en dat zijn broer Karel vrede met de emir had gesloten. Omdat ze hoe dan ook tegen de vijanden van het christendom wilden vechten, voeren ze door naar Akko, om tot de ontdekking te komen dat de Franken het voorbeeld van Karel hadden gevolgd. Hun deelname aan de Achtste Kruistocht was van generlei belang geweest. Vergeleken met de Vlamingen speelden de Hollanders, Friezen en Groningers in de kruistochten een bescheiden rol. Vooral de edellieden waren nauwelijks geÔnteresseerd in het Heilige Land. Dat kwam ongetwijfeld doordat ze zich oriŽnteerden op de gebeurtenissen in Oost-Europa. Voorts waren de drie kruistochten waaraan Duitsers meededen, bepaald geen succes. De Tweede en Derde Kruistocht liepen, zoals we eerder zagen, slecht af voor de Duitse keizers Koenraad en Frederik van Barbarossa. Frederik 11 boekte bij de Zesde Kruistocht een uitstekend resultaat, maar dat werd niet door iedereen zo beleefd. Dankzij onderhandelingen kwam Jeruzalem in 1229 weer in bezit van de Franken. Diplomatie was voor de gemiddelde ridder geen gangbare strijdmethode. Daar kwam bij dat Frederik II in de ogen van de kerk een omstreden figuur was. Door het geringe animo van vooral de Hollanders en de tegenvallers van de Friezen verkregen de tempeliers weinig bezittingen in de noordelijke Nederlanden.

Inderdaad waren de Tempeliers in die tijd een geheim genootschap, Maar van mystiek en duistere praktijken waren volgens mij geen sprake. Verhalem die al 800 jaar de ronde doen, Tuurlijk zijn er dingen geweest die met de kennis en ethiek van 2002 anders bekeken (moeten) worden dan met de kennis van 800 jaar geleden. Dat moet men niet vergeten.

Hollandse Kastelenteam

Radio uitzending over de Tempeliers  OVT 12 minuten VPRO

 

 

 

 

chronologisch overzicht Tempelier geschiedenis

 

 

De Duitse Ridderlijke orde

Geschiedenis - Het ontstaan der Orde

 

De Derde Kruistocht
De Balije van Utrecht van de Ridderlijke Duitse Orde kent een lange geschiedenis die begint in de tijd van de derde kruistocht naar het Heilige Land. Jeruzalem valt in 1187 in handen van de Egyptische sultan Saladin en als reactie hierop roept de paus heel Europa op om ter kruisvaart op te trekken. Jeruzalem moet worden teruggewonnen voor de Christenheid.

Het Hospitaal van St. Marie der Duitsers
Velen geven aan de oproep gehoor en in het kielzog van Frederik I Barbarossa, keizer van het Heilige Roomse Rijk, trekken vanuit alle hoeken van het Rijk ridders op naar Palestina. De opmars stuit bij de havenstad Acco en daar begint een twee jaar durende belegering. Volgens de overlevering hebben toen kooplieden uit Bremen en LŁbeck onder de zeilen van hun koggeschip een hospitium ingericht om gewonde kruisvaarders verzorging te kunnen geven in hun eigen taal. Het hospitium wordt gewijd aan Maria en zal de geschiedenis ingaan als het Hospitaal van St Marie der Duitsers in Jeruzalem.

De Ridderlijke Duitsche Orde
De eerste taak van het Hospitaal is de verzorging van gewonde kruisvaarders maar snel komt daar een tweede taak bij: de bescherming van pelgrims en kruisvaarders op weg naar het Heilig Graf en het heroveren van de heilige plaatsen in Palestina. Voor de verzorgende taak worden priesterbroeders gerecruteerd en voor het uitvoeren van de tweede taak wordt een beroep gedaan op de adel, de professionele strijders te paard. Priesters en ridders verenigen zich in een broederschap onder de gelofte van kuisheid, armoede en gehoorzaamheid en zo ontstaat de Orde van het Hospitaal van St Marie der Duitsers, later kortweg Ridderlijke Duitsche Orde genoemd. Het is de derde geestelijke ridderorde naast de Orde van de Johanniters en die der Tempeliers. Ter onderscheiding van de andere ridders tooien de Duitse ridders zich met een zwart kruis op hun witte mantel. In 1199 wordt de Orde door paus Innocentius III erkend.

Het beleg van Damiate
Meeliftend op de golven van kruistocht-enthousiasme die door Europa spoelen wordt de beweging een enorm succes, vooral na het beroemde beleg van de stad Damiate in de monding van de Nijl in 1218. Daar spelen de ridders van het Hospitaal van St Marie een zo krijgshaftige rol in de strijd tegen de Saracenen dat zich overal kruistocht-enthousiastelingen bij de beweging aansluiten. Anderen steunen de Orde in materiŽle zin. Zo besluiten Adolf van Berg en Sweder van Dingede sr, twee ridders die in het gevolg van de Hollandse graaf Willem I aan het beleg deelnemen, om een deel van hun bezittingen in de buurt van Dieren en Utrecht aan de Orde te schenken.

Pruisen en Litauwen
Het militair prestige van de ridders van het Hospitaal van St Marie trekt ook de aandacht van Oosteuropese vorsten. De hertog van MasoviŽ, die last heeft van ongelovige Pruisen aan de grenzen van zijn gebied, richt zich tot de Grootmeester der Orde, Herman von Salza, met een verzoek om militaire assistentie. Von Salza ziet wel perspectief in Oost-Europa en in ruil voor hulp krijgt de Orde een groot gebied rond de stad Torun in eigendom. Al gauw richten de activiteiten van de Orde zich meer op de strijd tegen ongelovige Pruisen en Litauwers dan op nog verdere pogingen om het Heilige Land te redden en in 1309 verhuist de Orde haar hoofdzetel van Acco naar MariŽnburg aan de rivier de Nogat. Vandaaruit bekeert en koloniseert de Orde een groot Baltisch gebied en vormt een autonome Ordestaat. De Polen zien dat alles met lede ogen aan tot in 1386 de Poolse koning met een uitgekiende zet de Orde buiten spel zet. Hij huwt zijn dochter uit aan de Groothertog van Litauwen, die in ruil daarvoor het katholieke geloof aanneemt. Heel Litauwen is ineens niet langer heidens en voor de Orde is er geen excuus meer om nog verder op te trekken. Het duurt nog tot 1411 tot de Polen de Orde definitief weten te verslaan in de slag bij Tannenberg.

 

Bron en link http://www.ridderlijkeduitscheorde.nl/