Startpagina

1 omhoog

Auteursrechten

Email kontakt

 

 

De Vlotter

Het is met emge aarzeling dat wij dit huis opgenomen hebben. De naam nodigt daartoe met uit, maar die is met oud en moet er pas aangegeven zijn. Vermoedelijk dateert deze uit de tijd dat daar ter plaatse het hout ‘gevlot (1)’ werd (eigenlijk: verscheept, kan aan ‘gereed voor vervoer’).
1)Noot( Hier heeft het kastelenteam bedenkingen bij)

Het huis de Vlotter lag in Noortdorp, de noordelijkste buurtschap van Heemskerk, grenzend aan Castricum. Het was bereikbaar door een weg die uitkwam op de Kleine Houtweg (nu Rijksstraatweg geheten). De Vlotter is nu nog de naam van het land waar het huis op gestaan In het terrein zien we alleen nog maar de sporen van een vijver. Aan de gang stond een poort, waarnaast zich een koepel bevond. Ten zuiden werd het huis begrensd door een weggetje dat de huis zelf, dat iets landinwaarts stond, aan de westzijde van de weg, was omgeven door een gracht.
Tot voor kort was er vrijwel mets bekend van dit huis, dat historisch gezien, heel oud moet zijn. In het begin van de wordt een Gerrit van Hofland genoemd, die op 14 september 1319 verklaart dat hij erbij was toen de heer van Heusden zijn heerlijkheid Heusden aan graaf Floris V opdroeg. Dat gebeurde te Biervliet in 1290. Gerrit zal toen behoord hebben tot de talrijke edelen die aanwezig bij die belangrijke gebeurtems. Hij moet op dat moment minstens 25jaar oud geweest zijn en dus ca. 1260 geboren zijn.
Zijn vader leefde in de tijd dat we de allereerste Heemskerk’ in de oorkonden tegenkomen. Dat Gerrit Hofland in Heemskerk thuis hoorde, kunnen we uit het feit dat zijn verklaring Heusden aflegde voor de van Heemskerk (1319). Over zijn womng vinden we in de oorkonden geen enkele wat te verklaren is uit het feit dat deze toen nog, zoals dat heet ‘vrij eigen goed’was en geen leengoed.
Na Gerrit Hofland vinden we een Dirk Hofland, die misschien zijn zoon was. Van hem we dat hij evenals een Claas Hofland schelpen kocht aan de in Beverwijk, die daar kalk van liet (1344). Verder is bekend dat Dirk van graaf Willem een rente van 4 pond te Assendelft in leen hield, die tot lijftocht maakte voor zijn vrouw Margriet (1336).

Dirk Hofland ook nog te boek als leenman van twee (akker)
-de Lange-en de Corte Camp - te Assendelft. Hij ontving die in plaats van de 4 pond die hij tevoren in leen had gehouden. De Lange- en de Corte vererfden op zijn Gerrit Hofland die er 1382 mee beleend Na de dood van Gerrit kwam dit delftse zijn zuster Brecht. Tot zover het Ca. 1380 droeg Gerrit (van) Hofland zijn huis (het huis de Vlotter) aan heer Wouter van Heemskerk op om het voortaan van hem in leen te houden. de bezittingen van heer Wouter verbeurd verklaard den, moest Gerrit zijn leen voortaan houden van de graaf van Holland, Graaf Albrecht van Beieren (31 december 1380).
In een akte van 16 december 1404 wordt Dirk Hofland Gerritszoon als leenman genoemd. Johan beleent Dirk Hofland na de dood van Gerrit Hofland met deVlotter (31december 1420). Gravin Jacoba hernieuwd deze belening op 2 juli 1429.

De helft van zijn leen maakt Dirk Hofland tot lijftocht voor zijn vrouw Catharina Thijman zoonsdochter (Er was toen ook sprake van een bij het huis behorende boomgaard. Op 26 1439 wordt de belemng van Dirk Hofland nog door hertog Philips vermeuwd, maar vijfjaar later doet Dirk Hofland Gerritsz. van Hofland afstand van zijn voorvaderlijk goed en ten behoeve van Banjaert Saij, secretaris van hertog Philips (1444). Banjaert Saij overleed kort voor 1469,want in genoemd jaar wordt zijn zoon Philips Saij beleend. Op een ongebruikelijke manier verloor deze Philips zijn leen.
Hij werd namelijk veroordeeld voor sodomie’, welke misdaad hem het leven en zijn bezittingen kostte.
Een gebleven zoon, Banjaert Saij, poogde hier nog iets van te redden. Een request aan hertog Philips (1497) bezorgde hem met zijn leen maar leverde hem een jaargeld van 14 Vlaamse ponden op. Banjaert Saij erfde zijn broer Floris Saij van Adrichem, priester, geld (2 december doch de volgende dag droeg heer Floris deze rente weer over aan heer Gerrit, heer van Assendelft, ridder, wiens de 14 pond bleef innen.

(noot kastelenteam) We kunnen niet met enige zekerheid stellen dat deze Banjaert's nazaten zijn van Albert Banjaert, heer van St. Agaathkerke)

Nadat het huis na de confisquatie bij de gevoegd was, werd het later in leen uitgegeven: sedert juli 1536 mocht Wouter van Bekesteijn zich er bezitter van Het leen werd toen omschreven als ‘die lants mitten bogaerden ende daerup staende, mitsgaders die huijsinge, hoeijhuis ende anders heuren toebehoren, geldende 43 pond,  den geestimeerd (geschat) op 12 schell. jaarlijks’.
Wouter van Bekesteijn, schout van Haarlem, had dit leen gekregen ondcr voorwaarde dat hij ieder jaar de verschuldigde rente van 14 pond aan de heer van Assendelft zou betalen. De rekenkamer mocht het leen ‘lossen’. terugkopen voor 592 pond. 1551wordt het leen zet in een rente:
Wouter van Bekesteijn zal voortaan 37 pond per jaar van de rentmeester ontvangen, met de bovengenoemde ‘sate’als onderpand. Deze sate, groot 10 morgen Rijnlandse blijkt in 1552 voor duur van verpacht te zijn aan Dirksz. voor 10 pond per jaar. De storm had kort voor de verpachting in januari 1552 den in de boomgaarden: 5 pruimebomen, 2 appelbomen en en werden apart voor 2 pond verkocht.
In 1598 lezen we het verhaal hoe het met de sate in de Spaanse tijd gegaan was. Voor ‘den trouble’ bracht de sate 60 pond aan huur op per jaar, doch in 1572 was hij ‘door den algemeijnen vijandt afgebrandt en geruineerd, daarna had hij ‘emge jaeren wilt, en ongebruijct’ gelegen tot na de pacificatie.

Niemand wilde toen het land en de verbrande hofstede in pacht nemen, totdat de vader van de rentmeesterJohan Colterman dit deed voor 20 pond perjaar, gedurende de tijd van onder conditie ‘van de singe weder tot redelicheijt op tebouwen te sijnen Na afloop van de huurtermijn zou de rentmeester het huis weer overnemen. Op 5 mei 1626 wordt Arnoud Gijzels, Raad en rentmeester van de heer van Marquette, er voor 2400 guldens eigenaar van, doordat hij het kocht van een zekere Dirk Willemsz.
Na het huis driejaar bezeten te hebben, verkocht hij zijn bezitting weer aan Johan de Hochepied, die kennelijk het als hobby had. Hij wist in 1630 van de heer van Marquette de vrije jacht te verkrijgen in heel diens gebied, een recht dat hem voortdurend
betwist  werd door de houtvester en meesterknapen van Holland.
Een proces dat zij tegen Isaac de Hochepied, zijn zoon, aanspanden, werd door Isaac gewonnen, hoewel de houtvester niet ophield met zijn pogingen om hem in het jachtgenot te hinderen.
De maat was vol toen de dienaar van De Hochepied op 28 augustus 1660 door de duinmeier op stokslagen getrakteerd werd en hem bovendien vijf gevangen konijnen werden afgenomen.
Op verzoek van De Hochepied verbood het Hof van Holland om hem of zijn dienaren in het genot van de jacht te belemmeren. In het vonnis van het Hof wordt de Vlotter een ‘riddermatige hofstede’ genoemd, waarvan de bezitters reeds vierhonderd jaar ‘vrij schot, vrije jacht en vrije vlucht’ (21december 1660). deze kwaliteiten moet de Vlotter dus sedert het jaar 1260 bezeten hebben.
 Dit klopt aardig met wat we bij het begin van de geschiedems van de Vlotter opmerkten.

Isaac de Hochepied had geen ander dan het huis als voor zijn jacht te gebruiken, en bewoonde het dus niet.
Dat bracht hem in conflict met de inners van het haardstedegeld, een belasting die berekend werd op grond van het aantal schoorstenen dat men in gebruik had.
Isaac beweerde dat hij alleen maar ‘het bouwhuijs’ gebruikte en dit had maar één shoorsteen. In het huis de Vlotter was volgens hem ‘vuur noch licht’ (1638).
Zo kon Isaac met deze zuinigheid en vlijt bij zijn dood in 1676 een vermogen 140.000 nalaten.

De Vlotter kwam aan zijn dochter Lucretia, die trouwd was met Izaak koopman te Amsterdam. Zij had sympathie voor hun Heemskerkse bezit, want zij breidden dit zo veel mogelijk uit. Toen Lucretia gestorven was, verkochten  haar executeurs-testamentair het huis, dat als volgt omschreven werd:

‘seeckere hofstede met sijn huijsinge, stallinge, koets- en wagenhuijs, alsmede een sie aan de poort, met verdere plantagie, genaamd de Vlotter’. Ook hoorde er een stuk land bij dat aan de overzijde van de weg gelegen was, zodat het oppervlak 6,5 morgen bedroeg.
Albert Schuijt, koopman te Amsterdam, kocht dat alles voor f 4.000 (1710). Hij kon dit gemakkelijk want zijn bedroeg
f
30.000 per jaar. Ook hij was een hartstochtelijk jager, en veranderde de naam de Vlotter in ‘Jagerslust’. Aan zijn bezit liet hij zich weinig gelegen liggen: wegen en vaarten werden slecht onderhouden, zodat het dorpsbestuur van Heemskerk gedwongen werd het op zijn kosten uit te 160 penningen. Een boete werd hem bovendien opgelegd van 93 gulden, 15 stuivers en 24 penningen voor zijn nalatigheid. Iets meer dan honderd jaar bleef Jagerslust in het van de Schuijt.

De slag te Castricum, die de en Russen in 1799 met de Fransen leverden, bezorgde Albertus Cornelis Schuijt een schade van 10787 guldens en elf stuivers! Na de dood van Albert Cornelis en zijn vrouw (respectievelijkin 1814 en 1815 te Haarlem overleden) werd Jagerslust weer verkocht.
De Nieuwe eigenaar, Cornelis Gerlings, gaf het huis de oude naam ‘de Vlotter’ terug. toen Cornelis gestorven was, 87 jaar oud, werd het huis gesloopt en het puin werd gebruikt voor verharding van de Oosterweg. In de Ned. Herv. kerk te Heemskerk bevinden zich nog twee Statenbijbels waarop de naam de Vlotter voorkomt.
 H. de Leth geeft ons een afbeelding van het huis zoals het eruit zag toen Albertus Schuijt er eigenaar van was.

Deze gravure wijkt af van het gebruikkelijke patroon van de huizen, dat uitgaat van: deur in het midden, twee links, twee ramen rechts en verdieping 5 ramen. DeVlotter alleen maar parterre: een veel te smalle deur in het midden en vijf ramen links en vijf rechts, boven de deur een zolderraam. Naar de afbeelding te oordelen, betekende de afbraak geen verlies. Belangrijker is, dat we graag zouden weten of er nog een oudere fundering onder de grond zit, waaruit op te maken valt wanneer de oudste Vlotter gebouwd is.

 

Bronnen:

Mr. J.W. van Groesbeek, middeleeuwse kastelen van Noord-Holland

 

 

© Het Hollandse Kastelenteam 2011 - alle rechten  voorbehouden