Start pagina

Banjaert

Huys ter Kleef

Huys te Heemstede

Huys te Brederode

Cronenburg

Huys te Heemskerk

Huys Assumburg

Huys te Egmond

Huys te Schagen

Huys te Nieuwburg

Huys te Nuwendoorn

Huys te Medemblik

Torenburcht

Huys te Middelburg

Huys te Muiden

Zaenden

Merestein

Adrichem

De Vlotter

Huys te Velsen

Purmerstein

Auteursrechten

Tempeliers

Links

 

uit de Y-stroom
In 1671 publiceerde Johannes Antonides van der Goes een lofdicht op het Amsterdamse IJ, getiteld de Ystroom.


 Eer d’YGod uit zyn kil te Beverwyk gereeden,
Te rugge keert, draeit hy zyn oogen aen geen’ kant,
Of heeft verandring van gezichten. hier is ’t land
Bezait met koren, en versiert met boompluimaedjen.
Daer rijzen hofwarande en vruchtbre lustbosschaedjen,
Gins straelt de duinbeek met een ader van kristal
Door helm en santorye in ’t boomgaertrijke dal.
Nu weent hy op ’t gezicht des afgestormde slooten:
Die hy voorhenen ’t hooft zagh aen de wolken stooten:
’t Geweldig Merestein en Banjaert, wyd ontzien,
Vryslooten van beroemde oudhollandsche Edelliên,
Door vier en zwaerd vernielt, met toorens en rondeelen
Te gronde weggerukt, in ’t barnen der krakkeelen:
Het stamhuid van Heer Lem, de wyk van Kermerland;
Een wonder van die eeuw, om zyn gebied en stant,
Nu deerelijk getrapt, gerekt uit al zyn leden,
En ’t grof gebeente met het kouter doorgesneden:
’t Huis Heemskerk, erfgebied van ’t adelijk geslaght,
En Brederoe verwoest, toen ’t gansche land, verkraght
Van burgeroorlog, al de maght der baenderheeren,
En Edelen in ’t velt elkander zagh braveeren,

 


 

BANJAART
Door Nicolaas Beets.

„Zoo zal haar oog mij hier aanschouwen!
En als baar vijand! O, mijn ziel!
Hoe hard is ’t noodlot des getrouwen,
Die zich aan plicht en eeden hiel!
Schoone Ada! toen gij in mijn oogen,
Ofschoon mijn mond niet sEreken dorst,
De liefde laast, die dees myn borst
Zoo heftig sedert heeft bewogen!
Toen gij (gij waart reeds meer dan kind,
Noch bleef t voor zoo veel liefde blind)
Al d’ eerbied merken kost, waarmede
Mijn blik u volgde schreê voor schrede,
En hoe ik, als gij tot mij spraakt
Of me aanzaagt, beurtlings bloosde en bleekte,
Terwijl mijn oog een weermin smeekte,
Door zedigheid en rang gewraakt;
Hadt, hadt gij immer kunnen droomen,
Dat eens diezelfde jongeling
U dreigende onder ’t oog zou komen,
Met uitgetogen degenkling? …
…Maar zoo gij slechts hem aan wilt hooren…
O God! zij komt…                           ”

                                  Verbleekt van schrik,
Stond Banjaart daar met strakken blik;
Nog kwam zij zijn gepeins niet storen,
Waar hij, in ’t hooge slotvertrek,
Haar wachtte tot een mondgesprek.
Want, van haar Echtgenoot gescheiden,
Die hulp bij Utrechts Bisschop zocht,
Was zij met overhaasten tocht
Gevlucht ten grijzen burg van Leiden;
Sinds Willem met de gravenkroon
Gesierd was in de Zeeuwsche landen,
En adel en gemeent’ de handen
Krijgsvaardig hieven tegen Loon.
Ach! slechts een handvol van getrouwen
Biedt van die burgtin tegenweer
Aan de overmacht van ’t Ken’mers heir,
Dat Egmonds kepers kwam ontvouwen
En, in den naam van Hollands Graaf,
Den burgtzaat dwingt tot overgaaf.

Die overgaaf kwam Banjaart vragen;
Hij, die, met Egmond in ’t Verbond,
Van Loon en Adelheid weerstond ,
En Willem ’t land had opgedragen:
Ach, hoe verscheurde ’t Alberts hart,
Dat schuldlooze Ada ’t offer werd
Van haar Vrouw Moeders blinde staatzucht,
Die, om te zekerder te gaan,
Haar tengre jeugd verknocht had aan
De koorden van haar eer- en baatzucht.
„Zij,” dacht hij, heeft verwacht misschien
Dat Holland, om den jongen jaren
Van Diedriks kroost verdriet te sparen,
Haar heerschzucht lijdzaam aan zou zien
En op Van Loons geboden staren.
Iets anders vergt de ridderplicht.
En Banjaart mag voor Ada sterven,
Maar, waar ze eens Vaders staf wil erven
Daar wederstaat hij ze in ’t gezicht!
Nochtans…”                                

                              De deur ontsloot. Zij kwam.
Rogier, uit Meerhems ouden stam
Steunt met zijn arm haar zwakke schreden.
Wel werd door haar die hulp behoefd
En vaak had zij vergeefs beproefd ,
Nog met een schijn van kracht te treden.
Ach, langzaam sleepte zij haar leden;
Haar wang was hol; haar ooit was mat;
En toch, daar zij ter zale trad,
Hief zij zoo vorstlijk ’t hoofd omhoog,
Dat Banjaart dieper ’t zijne boog:
Hij haastte zich haar zwakken leden
Den breeden zetel aan te biên
Want kracht om verder voort te treden
Scheen gansch te ontzinken aan haar knien.

„Ik dank u, heer van Brederode,”
Dus sprak zij met een flauwen lach
Daar zij hem diep in de oogen zag ,
„Zij heeft geen vijands hulp vannoode.
„Die nog Op vrienden steunen mag.”
Toen werd zij bleeker dan een doode,
En zette langzaam zich terneer:

„Gij laat ons weinig rust, mijn Heer!
Bedenk toch, wij zijn jong en teer,
En niet gewoon ons ’t lijf te weren;
En sedert, vrede zij zijn ziel!
Een dierbre Vader ons ontviel,
Ontbrak ons tijd den krijg te leeren.
— Ik hoop toch niet dat gij vergat,
Dat ik den Graaf tot vader had?”

„Mevrouw…                               
                               „Ik heb niet uitgesproken.
Ik gis uw boodschap; gij begeert
Dat Ada zich voor u verneert
Maar ’t heeft haar nooit aan moed ontbroken.
Zij meende, dat zij Egmonds vaan
Nog véle maanden kon weerstaan,
En dat ze inmiddels kalm kon wachten
Op haar heer Gade, die zijn vrouw
Gewis ontzet verschaffen zou
Zoo zeg ik, waren haar gedachten,
En ze achtte ’t zich haar Echtgenoot
Verp1icht; zij zag den grooten nood,
Waar deze burcht in moet verkeeren,
Niet in, en kon haar wil geschiên,
Zij zou den laatsten steen verweren,
En vroom den dood in de oogen zien.
Dan, grooter schijnen de gevaren,
Dan zij zich voordoen aan haar oog;
Ook schat zij hier haar raadsliên hoog,
Als meer in oorlogskunst ervaren;
Zij wil geen dwaasheid, die het bloed
Des landzaats nutloos zou doen vlieten;
En roekeloosheid is geen moed,
Valsche ophef mag geen geestkracht hieten.
Zij wil zich dus met u verstaan,
Met u … of Egmond, of met beide,
En de overgave biedt ze u aan,
Maar vergt voor zich een vrijgeleide
Men voere mij, met Voornes Heer,
En Meerhem, en wat eedlen meer
Hier Diedriks dochter nog beschermen,
Terstond in mijn heer Eega’s armen,
En vrij dees wal van de oorlogsplaag!
Ziedaar mijn antwoord op uw vraag.”

Zij bracht dees rede statig uit;
En toen verrees de Gravenspruit,
En greep, hem nopende om te gaan,
Opnieuw den arm van Meerhem aan.
En Banjaart stond daar als verplot;
Zoo fier een taal had hem ontzet;
Het vorstlijk antwoord, dat zij gaf,
Perste aan zijn hart bewondring af.
Maar als zij nu vertrekken zou,
Sprak hij verward;                             
                                     „Neen; blijf, Mevrouw:
Één oogenblik! één enkel woord!
Gij hadt mijn boodschap niet gehoord;
Gij weet niet alles; o vertrek
Niet, voor ik heel mijn last ontdekk’!
Verneem een zending van gewicht,
Aan u … , aan u-alleen gericht.”

Zij gaf een wenk aan Meerhems Heer,
En weer zonk ze in den zetel neer.
Haar kracht was uitgeput; zij sloot
Het lieflijk oog altijd in den dood.
En waarlijk, als haar Banjaart zag,
Zoo roerloos als zij nederlag,
Met lippen blauw als lood,
Hij had dit teer en buigend hoofd,
Dees dunne vingren dood geloofd,
Indien haar zwoegende ademhaling
Hem niet behoed had voor die dwaling.

De ridder zweeg; hij kon niet spreken;
Hoe pijnlijk hem het zwijgen viel,
Den moed gevoelde hij zijn ziel
En aan zijn adem kracht ontbreken.
Hij zocht naar woorden, naar begin;
In ’t eind, met bevinge der lippen,
Liet hij dees uitroep zich ontglippen:
„Hoe schriklijk is uw lot, Vorstin!
Hoe droef vervallen is uw wezen,
Door angsten, door gestadig vreezen!”

„Geen vreezen — hongren!” viel zij in.

Hoe sidderde A1bert op het hooren
Van zulk een taal, uit zulk een mond;
Ztjin voeten voelden nauw den grond;
De dochter, Hollands Graaf geboren,
Het kind, geteeld uit vorstlijk bloed
En opgebracht in overvloed,
Gelaafd, gespijsd met ’t eêlste en beste,
Dat de aarde ooit koningskindren bood.
Leed in deze ingesloten veste
Gebrekt en klaagde hongersnood!
Nog meer! De vrouw van zijn gedachte,
Het wezen, door zijn hart vergood,
Zij was het, die naar nooddruft smachtte!

Schoon Gravenkind! herroep dat woord!

„O! dat ontviel mij,” ging zij voort;
„Ik had het nimmer moeten uiten;
Het maakt mijn vijanden bekend,
Hoe groot de maat is der ellend’.
Maar… breng de tijding vrij naar buiten;
Verkondig, durft gij, wijd en zijd,
Dat Diedriks dochter honger lijdt!”

„Gewis; de nood is hoog gerezen,”
Sprak Banjaart, „op dees burcht, Mevrouw!
Elke aanval onzer heirmacht zou
Ontwijfelbaar de laatste wezen.
Gij hebt om vrijgelei gevraagd;
Vergeef mij! in deze oogenblikken,
Kunt gij niets vragen, niets beschikken;
En weigren waar te veel gewaagd.
Wij zijn aanspraaklijk voor uw leven
En welzijn bij den Graaf, uw Oom;
Gij kunt u zonder schande of schroom
Aan een van ons in handen geven.
En zoo gij Albert Banjaart kent,
En weet… wat zucht zijn hart doet kloppen.
Wat smart zijn boezem moet verkroppen…
Mag hij het zijn, tot wien ge u wendt?”

Zij sloeg haar oogen naar den grond.
„Een Banjaart kende ik wel voordezen,
Een Albert Banjaart,” sprak haar mond:
„Misschien zult gij dezelfde wezen.
Nog onlangs toen ’k. mijn plicht getrouw.
Bij ’t graf mijns Vaders knielen zou,
Kwam mij die naam nog eens ter ooren,
Ik ben door hem vervolgd, belaagd,
Daarna belegerd op dees toren,
En nu in gijzeling gedaagd —
Is dit die Banjaart van tevoren?”

„Dezelfde!” riep hij uit: „hij dient
Vorst Willems zaak, maar als uw vriend!
Hij heeft den degen uitgetogen,
Uit plicht, uit eerbied voor het recht,
En, schoon hij ook uw zaak bevecht,
Hij volgt u met beschermende oogen.
Zoo lang hij leeft en iets vermag,
Zal u geen leed geschiên; zijn leven
Wil hij voor u ten beste geven,
En zalig reeknen zulken dag!
Maar ook, zijn zwaard is niet geheven
Om Ada te vervolgen; schoon
Het lot het dus beschikt. Van Loon,
Ziedaar het voorwerp van ons strijden;
Den opgedrongen bisschopsknecht,
Die hier wil heerschen tegen recht,
En u ten prooi geeft aan een lijden,
Dat staatzucht over u besloot,
Terwijl…”                          

                           „Hij is mijn Echtgenoot.”

Als Ada deze woorden sprak,
Was ’t of op ’t mat gezicht
Een blosje door de bleekheid brak.
Een vonk van feller licht
Zich in haar flauwend oog ontstak.
Hoe trotsch zag zij op Banjaart neer!
Ja, de ingezonken leest
Verhief zich, met den fieren geest
Van Diedriks dochter, weer.
Had Adelbeid haar kind gezien,
Van zooveel kracht bezield,
Zij had dit oogenblik misschien
Verrukt voor baar geknield.
Ja. Moeder! U gelijkt zij nu,
In houding en gelaat;
Maar ’t hart, dat in haar boezem slaat,
Hoe ver beschaamt het u!
Het voelt zijn grootheid in een plicht,
Die zwaarder strijden vergt,
Dan waar de krijgstrompet toe tergt
En dat een glans van eer verlicht.
De moed, dien ’t hart der Vrouw besluit.
De grootheid van baar ziel
— Wie dár ook roem te beurte viel’ —
Blinkt niet, op ’t spoor der mannen uit.
Naar de kampstrijd wordt gestreên
Met eigen hart en zin;
Waar plicht en eer ter worstling treên
Met ongeluk en min;
Waar zelfverloochening de borst,
Die lijdt en zwijgt, met staal omschorst —
Dáár, tot beschaminge des mans,
Blinkt voor de vrouw de gloriekrans.
Wat zeg ik, blinken? Neen;
Geen stervling, die zijn schittring ziet;
Die hem behaalde siert hij niet
Dan in haar graf alleen.

Dit al besefte Banjaart niet;
Want hevig stormde ’t in zijn harte,
Als Ada hem in haar verdriet
Met al haar kalme grootheid tartte.
Zelfs scheen ’t of hij nog meer vergat
Dan eerbied, Diedriks dochter schudlig,
Wanneer hij woest en ongeduldig
Den zaalvloer op en neder trad.
In ’t einde ving hij aan te spreken:
„Uw Echtgenoot? O, wees oprecht!
Gij vloekt dees opgedrongen echt.
Ik weet het. Nu! gij kunt hem breken.
Hij is onwettig. Neen; ik schroom
Geenszins de waarheid u te ontdekken.
Daar gij geen huwlijk mocht voltrekken,
Dan met vergunning van uw Oom.
Welnu; nog is het tijd van keeren;
Een enkel woord van u tot mij,
En niets ter wereld zal u deren;
Gij zult gelukkig zijn en vrij.
Gij kunt dit krijgend land verlaten,
En wachten, in geruster staten,
Tot hier het zwaard ter scheede keert.
Gij hebt wel nooit de kroon begeerd;
Men noopte u ’t hoofd er in te dringen,
Ofschoon ’t uw harte kosten zou;
En — nooit zal zij uw kruin omringen!
Wat zoudt gij Hollands eedlen dwingen,
Om tegen dierbaar gravenbloed
Hun zwaard te richten, en hun moed
Te toonen in dees droeve tijden,
Omdat ge een naam, door hen bemind,
Aan dien des vreemdehngs verbindt,
Dien zij verfoeien en bestrijden!
Gevangenis wacht u; ballingschap;
God weet wat ramp en welke ellenden!
Maar die gij alle af kunt wenden,
En door een enklen, vrijen stap.
Verklaar dat gij uw echt wilt breken,
Dat u, als ons, zijn nietigheid
En Willems rechten zijn gebleken,
Dat men uw jonkheid heeft misleid.
Jonkvrouwe! zie mij aan uw knieën!
Ik knielde nimmer, sinds den dag
Dat ik ontving den ridderslag,
Dan om aan God mijn beête bieën.
Ik eisch niets voor mijzelf, Mevrouw!
Ik wenschte u aan uw ongelukken,
Aan deze uw hatelijke trouw,
En ’t nijpende gevaar te ontrukken.
Verhoor een hart, dat voor u slaat!
Daar waren uren, dagen, weken,
Dat daar iets was in uw gelaat,
Dat zoete dingen scheen te spreken
Toen mooglijk had ik eenig reeht…”

„Mijnheer! wie heeft u dat gezegd?”…
Sprak Ada, haastig opgerezen,
„Mij dunkt, ’t eerwaardig sacrament
Des huwlijks moest u heilig wezen.
Ga! ik veracht hem, die het schendt.”

Zij sprak dit uit met kracht en klem
En heldre stem.
Toen was ’t of haar gefolterd hart
Door velerlei geslingerd werd.
Eerst blonken tranen in haar oogen;
Zij was gehaast die af te drogen;
Toen sidderde om haar mond een lach,
Als vroeger niemand van haar zag;
Zij beet de lip; haar vingren trilden;
Haar oogen zwierven wild in ’t rond,
Alsof ze een toevlucht zoeken wilden
Maar meden Banjaart t’ elker stond.
In ’t eind, zij heeft haar kracht vergaderd;
Het zilver klinkt; een page nadert:
„Ontbied”, dus sprak zij, „Heer Rogier
Van Meerhem hier.”

Hij komt; haar kalmte heeft zij weer:

„Verzel dees edelman naar ’t heir:
Verklaar er, dat we ons onzen Neven
Van Teilingen in handen geven,
En ons verlaten op zijn eer.”