Start pagina

deel 1 2003

2009 deel lV

Wouter v Egmond

 Auteursrechten

Fotografie

Links

 

 

Stille getuigen deel V

 

 

 

De moordzaak Dirk van Kleef

 

Onderzoek naar de eerste moord in de stad Amsterdam

 

11. De tweede mislukte veldtocht

 

… eene heerlijke bladzijde uit Nederlands gedenkboek …

 

 

De tijdelijke wapenstilstand in de oorlog met de Franse koning gaf de Vlamingen in het voorjaar van 1304 alle ruimte om hun verenigde krachten weer op Zeeland en Holland te richten. Bovendien vernamen zij dat graaf Jan II in Den Haag doodziek het bed moest houden en de leiding had overgedragen aan zijn jongste zoon Willem van Oostervant. Hoewel Willem de potentiële opvolger van zijn vader was sinds zijn oudere broer Jan Zonder Genade was omgekomen in de guldenspo­renslag, moest hij wel voor al zijn beslissingen advies inwinnen bij oom Gwijde, sinds kort de nieuwe bisschop van Utrecht. Gwijde van Namen (1275-1311) had weer de leiding over het Vlaamse leger, met uiteraard Jan van Renesse en Floris van Borselen naast zich. In maart 1304 versloegen zij de Hollandse vloot en veel Hollandse en Stichtse edelen sneuvel­den. Gwijde van Henegou­wen, als bisschop de leider van de Utrechtse benden, werd opnieuw gevangen genomen. Men bracht hem naar slot Wijnendaal.

 

Het slot Wijnendaal, dat gesticht werd door de edele graaf Gwijde van Vlaanderen, was een der fraaiste en sterkste lusthoven welke er in die tijd bestonden. Uit de brede grachten, waarmee het was omringd, klommen dikke muren in de hoogte; menigvuldige uitstekende waakhuiskens hingen daaraan. Voor de stormgaten kon men de ogen der kruisboogschutters met de punten der ijzeren schichten zien. Binnen de wallen verhieven zich de daken van het graaflijk huis met hun zwaaiende windhanen. Zes ronde torens stonden op de hoeken der muren en in het midden van de voorhof; daaruit kon men met allerlei werptuig de vijand in het veld treffen en hem de nadering tot het slot beletten. Een enkele brug verenigde dit sterke eiland met de omliggende dalen. (Conscience p 14)

 

De Vlamingen trokken zegepralend door heel Holland en hadden in korte tijd vrijwel alle steden ingenomen. In Amsterdam zetelde reeds Jan van Amstel en ook de stad Utrecht kreeg nu de voormalige ballingen binnen zijn muren. Met een broer van de Hollandse graaf op de bisschopszetel in Utrecht was het Nedersticht automatisch ook een doelwit voor de zegevierende Vlamingen geworden. De voornaamste inwoners van Noord-Holland werden als gijzelaars naar Gent gebracht. Maar lang zou de triomf van de Vlamingen niet duren.

‘Strijd met Vlaanderen: een heerlijke bladzijde uit Nederlands gedenkboek van de oude tijd!', aldus schreef een van onze bekende vaderlandse geschied­schrijvers in de negentiende eeuw. En hij vervolgde: '9 maart ontbrandt de oorlog opnieuw, 20 maart, nederlaag der onzen bij Duiveland; Willem werpt zich in Zierikzee. Hoger nog moet de nood klimmen: de machtige Hertog van Brabant voegt een talrijk leger bij de talloze scharen uit Vlaanderen herwaarts gestroomd; gans Holland is veroverd tot aan de Haarlemmer­hout; alleen door Haarlem en Dordrecht wordt de vijand gestuit. Het Land is op het punt, naar menselijke berekening, om, als een buit der vreemden, te worden verdeeld; naar Gods raad, om bijna wonderdadig te worden verlost. Witte van Haemstede, met een klein scheepje uit Zierikzee vertrokken, stapt te Zandvoort aan land; hij, de zoon van Floris V, van de edele Vorst die het slachtoffer van zijn liefde voor het Volk was geweest, ontplooit de voorvaderlijke banier; doet haar, met Hollands leeuw, wapperen en blinken op duinen en strand; de bevolking schaart zich onder hem; de fiere, jeugdige Ridder trekt Haarlem binnen, omstuwd door de Landzaten, ingehaald door de burgerij; hij verslaat de Vlamingen aan het Manpad bij Bennebroek. De geestdrift der ingezetenen en de schrik des vijands wordt algemeen.' (Groen van Prinsterer, p 41).

Latere historici hebben vastgesteld dat er nooit een slag aan het Manpad heeft plaatsgevonden. (AGN II (1982), p 306). Niettemin staat er een monument ter herinnering aan dit glorieuze gebeuren in Bennebroek. Maar dat er een plotselinge ommekeer plaatsvond, staat wel vast. Op 26 april 1304 begon de zegetocht van Witte van Haemstede in Holland, op 28 april versloegen de Dordtenaren met Nicolaas van Putten de binnengedrongen Brabanders bij IJsselmonde en Waalwijk.

 

Tijdens deze schermutselingen zou ook de oude Nicolaas van Kats een rol spelen. Deze was nadat hij door zijn eigen burgers was gearresteerd, later overgebracht naar Dordrecht. Vanuit die stad trok Renesses erfvijand Witte van Haemstede toen naar Schoonhoven om de burgers hulp te bieden. Het slot werd daar nog verdedigd door een zoon van Nicolaas van Kats. Om hem tot overgave te dwingen nam Witte zijn toevlucht tot een drastische maatregel. Hij liet vader Nicolaas uit zijn gevangenis halen en vastbinden op een van de belegerings­werktuigen. De zoon kon zich niet meer met kracht verdedigen zonder het leven van zijn vader te riskeren. Dat betekende het einde van zijn verzet.

 

Het optreden van Witte van Haemstede deed in Holland de kansen keren. De eerste die dit blijkbaar inzag, was Jan van Amstel. Schielijk verliet hij de stad Amsterdam, waar hij zich een kort jaar als heer had gevestigd: Vaerwel, mijn Aemsterland, verwacht een’ andren heer. Met bisschop Gwijde nog steeds in gevangenschap en zijn broer Jan II doodziek in bed, was het de taak van Willem van Oostervant, die zijn zieke vader verving, om de burgers van Amsterdam te straffen voor het binnenhalen van hun vroegere heer. De bruggen en torens, die Jan van Amstel als versterkingen had laten bouwen, moesten op zijn last worden gesloopt en wel binnen veertien dagen ‘ende nimmer meer brugge ende veste weeder te maekene’. Bovendien verloor de stad volgens dit besluit, gedagtekend 22 mei 1304, haar ‘vryheden en markten’. Het privilege, dat bisschop Gwijde in 1300 had verleend, werd nietig verklaard en de belasting op het bier werd verhoogd. (Kannegieter, p 91).

Deze gang van zaken sloeg definitief de bodem uit alle hoop van de ballingen die waren verdre­ven wegens de moord op graaf Floris de Vijfde. Zij hadden zich in Utrecht hadden genesteld. De Stichtse edelen, die van huis en haard verdreven waren, verschenen een voor een in Utrecht. Het schijnt dat Jan van Renesse er de leiding had. ­Herman van Woerden, die vermoedelijk uit Brabant kwam, voegde zich bij hem. Daar arriveerden ook Arend van Benschop en Jan van Amstel, die uit Amsterdam was gevlucht. Stoke beschrijft het gezelschap aldus:

 

Dat her Jan ente sine Heer Jan van Renesse en de zijnen

Van Renesse pijnden metter stat, deden met de stad hun best in een poging

Of hi mochte benemen dat. om dat te beletten (nl Zierikzee ontzetten).

Ic verstont al overwaer Ik vernam voorzeker

Datter met hem waren daer dat daar bij hem waren

Tseren sone van Aemstelle, de zoon van de heer van Amstel

Ende Aernt van Benscop, sijn gheselle; en zijn strijdmakker Arend van Benschop.

Herman van Woerden hadde daer ghesijn. Herman van Woerden had zijn gevolg bij zich.

Oec seghet mi de segger mijn, Ook vertelde mijn zegsman mij

Dat van der Lede mijn her Jan dat heer Jan van der Leede en

Ende daertoe menich man nog vele anderen die ik niet

Die ic niet ghenoemen en can. allemaal kan noemen

-Al noem icker niet, wat leghetter an?- - maar wat doet dat er ook toe? -

Met hem waren in de stat. met hem in de stad waren.

(Stoke X 520 – 531)

 

Jan van Amstel en Arend van Benschop waren volle neven, maar blijkbaar ook ‘gezellen’, een woord dat zowel (maar meestal betekend neef of neven = gelijken) strijdmakker als medeplichtige betekent. Misschien was Arend ook in Amsterdam al samen met zijn neef.

Dit alles roept de vraag op in hoeverre graaf Dirk van Kleef bij deze gebeurtenissen was betrokken. De Vlaamse aanval maakte immers deel uit van het plan dat hij een paar jaar daarvoor met koning Albrecht had ontworpen. Hij had ongetwijfeld contacten met de verbannen edelen. Arent van Benschop was immers na 1296 door Dirk Loef als gevangene afgevoerd naar zijn slot Kervenheim in het land van Kleef en nooit uitgele­verd aan zijn vijanden in Holland. En nu dook hij plotseling weer in Utrecht op. In de tijd dat Vondel leefde, werd Kleef na een successieoorlog aan Brandenburg-Pruisen gehecht en er is veel gespeculeerd over de vraag wat de dichter van de Gijsbrecht ertoe heeft bewogen zijn tragische held naar Pruisen te laten vluchten. Het tot Kleef behorende kasteel Doornenburg werd wel als zijn wijkplaats genoemd. Genoot misschien ook Jan van Amstel, de neef van Arent van Benschop, de bescherming van de graaf van Kleef? Het zijn nogal speculatieve vragen waarop de historicus het antwoord schuldig moet blijven.

Intussen begonnen de ballingen in Utrecht onrustig te worden. Gwijde van Namen besloot met zijn Vlamingen deze stad te verlaten. Op aanraden van Renesse nam hij de wijk via Gouda. Die stad was immers het bezit van Sofie van der Gouwe, Renesses echtgenote. Daar lag een groot aantal koggen gereed waarmee de Vlamingen de IJssel konden afvaren naar Zeeland. Op 1 mei was Holland als bij toverslag gezuiverd.

In Utrecht en in Zeeland werd de strijd nog een paar maanden voortgezet, maar ook daar was het einde in zicht.
Filips de Schone die besloten had zijn Henegouwse bondgenoten te helpen, stuurde een machtige vloot onder leiding van vlootvoogd Grimaldi naar deze streken en die versloeg op 10 en 11 augustus 1304 de Vlaamse vloot vernietigend in een uiterst felle zeeslag bij Zierikzee. De beschrijving van die zeeslag geeft een aardig beeld van een maritiem gevecht in die dagen.

Het was een van de grootste zeeslagen in de middeleeuwse geschiedenis en hij duurde van ’s middags (10 augustus 1304) tot het middaguur van de volgende dag.

De Franse vloot omvatte 49 schepen. In de haven van Schiedam voegden zich daar nog eens vijf Hollandse schepen bij. Samen voeren ze uit voor het ontzet van Zierikzee, dat al wekenlang werd belegerd door een sterke Vlaamse krijgsmacht. Gwijde van Namen beschikte weliswaar ook over een grote vloot, maar zijn schepen waren kleiner. Hij had daarom het advies gekregen een zeeslag met de Fransen te vermijden. Maar bij het naderen van de vijand besloot hij toch slag te leveren. Hij scheen succesvol, want het begon voor de Genuese admiraal niet zo best: er liepen al meteen vier van zijn schepen vast op een zandbank. Daarom formeerde hij van zijn vloot één lange linie door tientallen koggeschepen met kettingen aan elkaar vast te maken. Daarachter hield zijn elf grote galeien in reserve. Die werden door roeiers bemand en konden zich dus betrekkelijk snel verplaatsen. Tegen de avond begon de zeeslag. Bij het opkomen van de vloed raakten de vier vastgelopen schepen weer los. Wederzijds veroverde men schepen van elkaar en urenlang leek de strijd gelijk op te gaan. Maar op een gegeven ogenblik slaagden de Hollanders erin een paar brandende balken op de Vlaamse schepen te gooien. Deze vatten vlam. Terwijl de duisternis inviel dobberde hun vloot in het licht van de vlammen, terwijl de Fransen onzichtbaar bleven in het donker. De hele nacht ging de strijd door. Beide partijen haalden verse versterkingen aan boord. De Vlamingen hadden hun schepen niet met kettingen, maar met touwen aan elkaar verbonden. Die waren soms doorgebrand en toen de zon weer aan de horizon verscheen, lagen de Vlaamse schepen nogal slordig verspreid voor de haven van Zierikzee. Grimaldi’s vloot had de linieopstelling bewaard. Naarmate de ochtend vorderde, werd de toestand voor de Vlamingen steeds hopelozer. Sommige schippers poogden zich nu in veiligheid te brengen, maar Gwijde van Namen meende dat hij als ridder verplicht was te blijven vechten tot het uiterste. Maar toen tegen twaalf uur de meeste schepen verloren waren gegaan, was de nederlaag een feit. Graaf Jan II heeft het bericht van de overwinning bij Zierikzee nog op zijn ziekbed ontvangen. Kort daarna stierf hij op zaterdag 22 augustus 1304.

 

 

 


 

Definitie van het kasteel

 

 

Er zijn veel pogingen geweest om het begrip kasteel te omschrijven. In het algemeen was de globale omschrijving dat het een functionele definitie had van een versterkte woning van een heer of edelman. Daaraan wordt vaak toegevoegd dat het verschijnsel kasteel verbonden was met de feodale maatschappijvorm in de Europese middeleeuwen. Volgens de begrippen gebruikten de middeleeuwers niet specifiek één omschrijving voor ons woord “kasteel”. Ze hadden vele termen in de laaglanden waaruit Nederland zou ontstaan. Gebruikt zijn huus, stark huus, steenhuus, starke, borg, veste, stinse, toren, ridderhofstad, begraven hofstad, havezate. Er werd geen vaste omschrijving gebruikt. Ongeacht de omschrijving voldeed een kasteel aan twee basis functies voor de middeleeuwer. Ze waren verdedigbaar en bewoonbaar, voor een geringe groep mensen.

Het woord Kasteel is op een gegeven moment overgenomen uit het Latijn, het was het woord voor een versterking. De Romeinen die Noord West Europa hebben bezet waaronder het huidige grondgebied van Nederland. Ze hadden een praktische en natuurlijke grens waarachter zij zich konden verschansen, namelijk de rivieren, met name de Rijn en de Waal waren de natuurlijke grens. Overigens gingen ze wel degelijk over die grens heen die zij “Limes” noemden. Zij voerden handel met de vele stammen en volkjes die daar in de soms moerassige gebieden woonden op terpen en wierden, opgeworpen verhogingen van grond en graszoden, waarop zij leefden en ook toen al eigen steden en dorpen hadden. Bij de eerste contacten noemde de Romeinen de kustbewoners en hun woonplaatsen naar de door de bewoners gebruikte eigen naam van Frisia, dat had de betekenis van vrije man. Nog later werden om militair politieke redenen deze vele volkeren door de schrijvers van Ceasar onder één noemer gebracht, onder de naam van slechts een hoofdman die heerste over een stam van hooguit 50.000 mensen, zijn naam was Herman, in de vertaling naar Rome werd dit German.

De Romeinen gebruikte het woord Castrum voor een grote versterking van een leger onderdeel tot 6.000 soldaten. De kleinere versterkte kampen werden Castella genoemd de letterlijke vertaling daarvan was kasteeltje. Dit was een legerplaats voor de kleinste leger groep van 80 tot 120 man, de commandant daarvan was de Centurion = honderdman. Overigens waren er ook legerplaatsen of castellum = feitelijk een fort of permanent kamp, voor de hulptroepen de Auxilia, die waren in omvang ongeveer 600 bereden manschappen met paarden en konden met hulppersoneel wel een omvang bereiken tot 1000 man. Deze versterkingen werden verbonden met een goed wegennet, van 3,5 meter breed en enkele decimeters dikte, opgebouwd met een houten bekisting en afgedekt met grind. Aan de zijkanten, was links en rechts een kleine greppel voor de afwatering. Om gemiddeld 800 meter stonden er verdedigingstorens op zicht afstand van elkaar, deze afstanden konden verschillen door natuurlijke hindernissen. Dat kon betekenen dat de minimum afstand circa 500 meter was en dat ze met een maximum afstand van 2.500 meter uit elkaar waren gelegen. Waren er problemen dan konden de verdedigers van die torens elkaar via een vernuftig systeem aan verlichting en/ of met rooksignalen en vlaggen waarschuwen. Op het huidige Nederlandse grondgebied lagen langs de Romeinse Limes waarschijnlijk 18 legerkampen afgewisseld met ongeveer 150 torens. Dit is te zien op de Peutingerkaart een kopie uit de 12de eeuw van de Romeinse wegenkaart. De meeste van deze plaatsen maakten later deel uit van de Frankische Koninklijke domeingoederen.

De eerste verdedigingstoren werd op Nederlands grondgebied door de Romeinen in ongeveer 50 na Christus gebouwd en was vermoedelijk daarmee het eerste in
West Europa, de anderen werden ongeveer 20 jaar later gebouwd. De Romeinen onder leiding van Claudius bouwde het fort Trajectum in ongeveer 47 na Chr.. In een opstand in 70 na Christus werd Castellum Trajectum of Trecht door de hoofdman van de plaatselijke bevolking met de Romeinse naam “Claudius Civilis” verwoest . Na de onderdrukking van deze opstand werd het opnieuw herbouwd, het bestond net als het eerste castellum uit aarden wallen met houten gebouwen, en het bestond tot ongeveer 150 na Christus. In omstreeks 200 na Christus werd het om meer natuurlijke reden, vermoedelijk wegens overstromingen, opnieuw gebouwd op hoger gelegen grond, de ringmuren en het praetorium (hoofdgebouw) waren nu van steen.

Halverwege de vijfde eeuw begint de grote Germaanse volksverhuizing, die meerdere eeuwen duurde, de volkeren trokken naar de plaatsen waar iets te halen viel, dat was op Romeins grondgebied. Het volk de Chatten trokken vanuit het noorden over de Limes naar het zuiden en vanachter de rivier de IJssel (vanuit Overijssel en Gelre) trokken de Franken naar Gallië. In de 3de eeuw verbinden vele kleine stammen en volkeren zich naar Romeins voorbeeld in politieke verbonden, daardoor ontstaan de grote stammen zoals de Franken, Saksen, Alemannen en Friezen. In de 4de eeuw volgt de grote Volksverhuizing in de richting van het westen, de Hunnen kwamen vanuit Oost Europa vanuit de latere Sovjet republiek waaronder Rusland. Omstreeks half in de 5de eeuw werden vele volkeren opgejaagd en vielen Juten, Saksen, Angelen, Friezen en Franken Brittanië binnen. Hun algemene naam was nu Germanen, zij leefden als lid van een gemeenschap, de Germaan was een sociaal wezen binnen sociale structuren zoals de Sippe, het huis en waren door een vorm van dienstbaarheid verbonden aan hun leider en de stam.

Na de Romeinse val trokken de donkere middeleeuwen als een grauwe deken over Europa, de regionale sociale structuur rondom de agrarische domeinen die de Romeinen waren begonnen bleven hier min of meer bestaan. Belangrijk was een Keltisch/Germaans boerderij type, een “Langhuis” van tenminste 20 X 7 meter waarin de mensen woonden met hun vee, het gebouw had een zadeldak. Dergelijke constructies zijn oeroud en ontstonden vanaf dat de jagers zich gingen settelen en komen wereldwijd voor. Ook de Romeinen kende dit soort huizen en voegden daar hun aanpassingen aan toe zoals een atrium, met daaromheen de gebouwen. Met name de Romeinen gebruikte veel locale bouwmaterialen, steen als dat er was en anders hout en leem. Rondom deze gebouwen werd een gracht gegraven en de grond daarvan werd opgeworpen als wal rondom de gebouwen, dit soort bouwwerken heeft hier heel lang bestaan en werden steeds weer nieuw opgebouwd en met de tijd verbeterd.

In omstreeks 630 veroverde de Frankische koning Dagobert I het kasteel Trecht en gebruikte het als uitvalsbasis tegen de Friezen. Hij liet een kerk bouwen binnen de muren. Deze versterking werd door de Friezen verwoest. In 690 werd het terugveroverd en herbouwd. Pepijn de Oudste wijst dit in 695 toe aan Willebrord, die vanuit dit Frankische fort zendingswerk onder de Friezen begon. Willebrord stichtte zijn “munster” binnen de muren van dit verdedigingswerk. De Frankische kastelen bestonden uit een ronde hoofd burcht met tussen de muren een Groot zaal gebouw en een verdedigingstoren en een voorburcht met daarop een boerderij en bijgebouwen.

De ontwikkeling van de verdedigingswerken veranderde permanent met de tijd onder invloed van sociale structuren en vernieuwde bewapening. De combinatie van militaire en woonfunctie veranderde naar een betere verdediging en naar groter wooncomfort. Ook andere functies hadden invloed op de eisen en de architectonische vorm van deze objecten, zoals agrarische en bestuursfuncties.

Omstreeks 850 na Christus (volgens Prof. H.L. Janssen) ontstonden de ringwal burchten, die door hun succes in de verdediging in gebruik waren tot 1100 na Christus. Het vermoeden werd geuit dat deze verdedigingswerken onder invloed van de Vikingen zouden zijn gebouwd. Het waren ronde, ovale of hoefijzervormige aarden wallen met een gemiddelde hoogte tussen de 2 en 4 meter, het binnen terrein was tussen ongeveer tussen de 100 en 300 meter in diameter. Echter de Romeinen die zich hier rond de eerste eeuw na Christus vestigden, bouwde al dergelijke verdedigingswerken. Geacht moet worden dat deze objecten bleven bestaan toen de Romeinse macht in de vijfde eeuw afnam en de locale heren het bestuur overnamen. Archeologisch onderzoek heeft uitgewezen dat deze verdedigingswerken al bestonden anderhalve eeuw voordat de Vikingen hier binnen vielen. Deze Vikingen raids waren dus niet de voornaamste reden, ze bestonden al en werden slechts aangepast aan nieuwe inzichten ten aanzien van verdediging en veiligheid met betrekking tot bijvoorbeeld overstromingen. Het succes wordt bewezen omdat de Vikingen de eerste ringwal burchten in Scandinavië na bouwden. Aangenomen mag worden dat de Vikingen de eerste aanvallen deden op Nederlands grondgebied omstreeks iets eerder dan 780 na Christus, dus zijn deze praktische verdedigingsconstructies in Scandinavië naar het voorbeeld hier opgezet.

intressante links

 

http://wn.com/weer_romeinse_schip_gevonden_in_de_meern