Startpagina

1 omhoog

Foto 1924

Foto's

Auteursrechten

 

 

 

Huis te Zaenen

 

Ten noorden van Schoterbos lag het ambacht van Zaenen. Hierin heeft zeker een versterkt huis gestaan. De oudste geschiedenis ervan voert ons terug naar het oude geslacht der heren Van Haarlem. De oudste van Zaenden die we vermeld vinden, is Simon van Zaenden, een bloedverwant (een neef?) van heer Simon van Haarlem (1 februari 1277).

Zoals wij weten, was Willem van Zaenden een van de moordenaars van graaf Floris V (1296). Zijn bezittingen werden verbeurd verklaard. Onder het motto: ‘reken de kinderen niet toe wat hun vaders misdreven hebben’, zien we dat de misdaad aan zijn kinderen vergeven wordt en dat zij ook nog hun goederen terugkrijgen. Alles? In ieder geval niet de heerlijkheid Zaenden (Westzaan) die aan Jan van Beaumont gegeven werd.
In een lijstje van goederen die in leen gehouden werden van de graven van Holland, dat gedateerd moet worden tussen 1316-1321 vinden we Simon van Zaenden, hoogstwaarschijnlijk een van de zoons van Willem van Zaenden, met zgn leen. Dit wordt omscheven als ‘die woninge ende dat hele land liggende tussen Hendrik van Brederode’s land en jvr. Kerstine (van Schoten)‘, aan de westzijde belend door de halve Veenweg en aan de oostzijde door het Spaarne’. Op 19 februari 1325 maakt hij deze woning tot lijftocht voor zijn vrouw Femence (of Semence). Nu wordt ervan gezegd, dat het huis in Schoten staat.
Toen Simon overleden was, werd zijn zoon Willem van Zaenden beleend. Deze wordt nog in 1390 genoemd, doch was vóór 2 oktober 1393 overleden. Zijn vrouw heette Pieternelle; zij was een dochter van Dirc Saij Henricsz. Haar man had haar op 19 maart 1376 de helft van zijn bezit tot lijftocht gemaakt.
Hun zoon Jan van Zaenden (die op 2 okober 1393 beleend werd) maakte zijn dochter, IJde Jansdochter van Zaenden, tot zijn erfgename. Zij erfde huis en ambacht van Zaenen, dat zich toen uitstrekte van de Delft tot het Spaarne en in de akten ‘Jan van Zaenden’s sate’ genoemd wordt. Hoewel zij getrouwd was met Wouter Buijs die zij in 1439 haar leen tot lijftocht maakte, liet zij haar leenbezit na aan haar neef Pieter van Zaenden, zoon van haar broer Vrank (18 december 1446). Na de dood van IJda kwam haar zuster jvr. Aarland in het geweer. Zij negeerde de aanspraken van haar neef Pieter van Zaenden en liet zich belenen met de lenen van IJda (22 mei 1449), doch Pieter legde zich hierbij niet neer, en begon een proces tegen zijn tante jvr. Aarland, die toen al weduwe was van Claas (van) Wedige. Vermoedelijk werden haar aanspraken niet erkend, want toen Pieter van Zaenden huwelijkse voorwaarden maakte met jvr. Catrijn, dochter van Simon van Noordwijk, kende hij zijn vrouw een lijftocht toe van 20 Rijns gulden uit zijn goederen te Schoten (3 juni 1460).
Een lang huwelijksleven heeft Pieter niet gehad, want het volgende jaar overleed hij. Een zoon uit een eerder huwelijk, Vrank van Zaenden, werd met de lenen van zijn vader: hofstede, woning en ambachtsheerlijkheid, beleend. Deze was toen al getrouwd met jvr. Lijsbeth Jansdochter van Dongen (20 november 1461). Zeven jaar lang mocht hij zich verheugen in het bezit van zijn voorvaderlijk goed, want op 10 september 1468 draagt hij alles weer over aan zijn achterneef Willem Bolle. Deze wordt meestal Willem Bolle van Zaenden genoemd. Hij was een lid van de familie Bolle die ‘Bollen-hofstede’ te Overveen bezat. Zijn vader, Floris Bolle was getrouwd geweest met Hadewich, dochter van Willem van Zaenden. Deze Willem was een broer van Jan (vader van jvr. IJde), van Vrank (de grootvader van de verkoper) en van jvr. Aarland (oud-tante).
De reden van de verkoop zal geweest zijn, dat huis en land zwaar belast waren met renten. Er moest hiervoor 80 gulden per jaar opgebracht worden ten behoeve van heer Willem van Wedige (zoon van tante Aarland), van Aelbrecht, Willem Bolle en Willem van Zaenden (de drie zoons van Floris Bolle en Hadewich van Zaenden). Bovendien nog 20 gulden als lijftocht voor Catherina van Noordwijk (stiefmoeder van Vrank van Zaenden). Willem Bolle van Zaenden, die dus nu heel Zaenen in leen had, trouwde tweemaal. Eerst met jvr. Cornelie, een bastaarddochter van Willem van Oostende (uit Zeeland). Haar man maakte haar het huis te Zaenen tot lijftocht op 22 juni 1474. Na de dood van jvr. Cornelie trouwde Willem met een Catherina, die op 25 mei 1494 weduwe genoemd wordt. Jvr. Cornelie, dochter uit het eerste huwelijk van Willem wordt vervolgens beleend, op 7 september 1500, maar drie jaar later was zij overleden. Haar zoon Lieven van Cats ontving het leen op 6 mei 1503. Hij behield Zaenen echter niet lang, want op 23 september 1509 droeg hij het alweer over aan Gerrit van Schoten, die baljuw was van Kennemerland.

Ook hij bezat Zaenen maar kort, want op 20 november 1513 was Gerrit al overleden en zijn zoon Jacob van Schoten wordt op genoemde datum beleend.
Er blijkt niet waarom Jacob van Schoten de helft van zijn leen ‘Zaenen’ overdroeg aan zijn zuster jvr. Maria van Schoten; voortaan echter is Zaenen in het bezit van twee families.

De ene helft behoorde toe aan Jacob van Schoten, die in het jaar 1529 ‘aan de sweetende siecte’ op het huis Teijlingen bij Sassenheim overleed. Zijn dochter Maria trouwde met Tijman van der Mije. De erfdochter van dit echtpaar, Clara van der Mije, was gehuwd met Adam van der Duijn, hoogheemraad van Rijnland, overleden in 1602. De andere helft van Zaenen was, zoals we reeds zagen, door Jacob van Schoten afgestaan aan z;jn zuster Maria van Schoten, gehuwd met Jan van Steenbeecke. Zij stelde dit bezit kennelijk niet op prijs, want zij droeg het weer over aan haar broer Jan van Schoten. Deze liet Zaenen op 1 november 1568 op naam van zijn vrouw stellen. Dat was jvr. Cornelia van Egmond van Kenenburg. Haar zoon heer Gerrit van Schoten wordt na de dood van zijn vader met Zaenen beleend. Toen hij op 9 november 1573 zijn leen ontving, mocht hij zelf als priester de leeneed niet afleggen, dat deed voor hem zijn neef Adam van der Duijn. Het schijnt dat Adam van der Duijn ook de helft van heer Gerrit van Schoten verkregen heeft, waardoor hij zich dus heer van geheel Zaenen mocht noemen. Zoals wij zagen, was Adam getrouwd met Clara, de enige dochter van Tiiman van der Mije en Maria van Schoten.

Hun tweede zoon Tijman van der Duijn zou heer van Zaenen worden, maar hij overleed jong en ongetrouwd in 1603, evenals zijn oudste broer. Zijn zuster Machteld van der Duijn was in het jaar van de dood van haar broer (1603) gehuwd met Antonis van Duvenvoorde, heer van den Bosch, die zich ook Anthonis van Wassenaer noemde. Op deze wijze geraakte Zaenen dus al in 1603 uit het bezit van de van der Duijn’s, en werden de van Wassenaers de nieuwe bezitters. Deze jhr. Anthonis van Wassenaer van Duvenvoorde was in 1556 te Haarlem geboren; zijn functie was ‘meesterknaap van de houtvesterij’.
Hun zoon jhr. Arent Adam van Wassenaer, heer van den Bosch en Zaenen, geboren ca. 1606, studeerde te Leiden en was hoogheemraad van Rijnland. Zijn vrouw jvr. Anna van Schagen was al in 1654 overleden.

Zijn oudste zoon jhr. Anthony van Wassenaer wordt in 1666 heer van den Bosch en Zaenen genoemd. Op 16 mei 1667 maakte hij zijn testament, maar hij overleed jong en ongetrouwd. Zijn jongere broer jhr. Jan Jacob had maar één dochter, jvr. Maria Jacoba van Wassenaer, die ongehuwd overleed.

Zaenen gaat daarna over in het bezit van mr. Jan Munter, raadsheer in het Hof van Holland. Hij werd in 1634 geboren, trouwde in 1674 met Margaretha Trip en overleed in 1713. Hij wordt heer van Zaenen en Raaphorst genoemd. Beide heerlijkheden komen op zijn dochter Margaretha Cecilia Munter, die ook vrouwe van Zaenen en Raaphorst heet. Zij werd in 1675 geboren en stierf op 74 jarige leeftijd op 2 november 1749. In 1704 was zij gehuwd met Lord William graaf van Cadogan, burggraaf Caversham, baron Reading en Oacley, een Engels generaal en tevens ambassadeur. Het huwelijk bleef kinderloos.
De heerlijkheid en het huis te Zaenen werden daarna verkocht aan Abraham Vorsterman Jacobsz., die er op 28 december 1750 mee beleend werd.

Zijn dochter Susanna Christine Vorsterman trouwde met mr. Willem Gerrit van Oijen, schepen en burgemeester van Tiel, Statenlid in Gelderland etc. Hun zoon nam de naam van zijn moeder erbij en noemde zich Abraham Vorsterman van Oijen, heer van Zaenen etc. Hij was ritmeester van de kurassiers en ook burgemeester van Sparendam en Schoten. Hij stierf in het huis te Zaenen en werd op 1 juli 1825 te Amsterdam begraven. Heel veel namen en data zijn nu de revue gepasseerd. Dit was helaas noodzakelijk, want de moderne litteratuur (1966) heeft van de geschiedenis van Zaenen een moeilijk te verteren hutspot gemaakt.

We doen het nu wat kalmer aan, en constateren dat het huis te Zaenen in 1808 bewoond werd door Cornelia Elisabeth Arkenbout, weduwe van Jacob Penninck Hoofd. Zij was slechts huurster van Zaenen en kocht in genoemd jaar de buitenplaats Welgelegen in Bloemendaal. De laatste eigenaars van ‘Zaenen’, voordat het eigendom van de gemeente Haarlem werd, waren leden van de familie Bredius. Arnoldus Anthonie Bredius kocht Zaenen in 1881. Hij overleed in 1906 in Amsterdam. Zijn weduwe, Cornelia Johanna Gerarda Gijsberti Hodenpijl, overleed te Haarlem in 1911. Hun jongste zoon Cornelis Jan Arend Bredius noemde zich heer van Rietveld, de Bree en Zaanen. Hij verkocht een deel van de gronden van Zaenen ten behoeve van woningbouw, het restant werd in 1923 aan de gemeente Haarlem verkocht. Alleen het huis te Zaenen behoorde toen nog aan de familie Bredius. Dit werd aan de gemeente Haarlem geschonken. Voorwaarde was hierbij, dat het een passende bestemming zou krijgen. Hieraan is voldaan door het vestigen van een filiaal van de stadsbibliotheek (1930).

Dat het gebouw, zoals het er nu staat, in niets meer herinnert aan het oude kasteel, behoeft wel geen betoog. Er is van het oude kasteel voor zover wij weten geen afbeelding bewaard gebleven. Wel zijn er toevallige vondsten bekend, o.a. van kloostermoppen die er op kunnen wijzen dat het 13’ eeuwse kasteel daar gestaan heeft. Voor de rest zijn er kannetjes, munten etc. gevonden. Een beetje vreemd doet het aan, dat er op het einde van de 18’ eeuw sarcofagen voor de dag kwamen, zoals Adriaan Loosjes in zijn ‘Hollands Arcadia‘ (1804) vermeldt. Er zou dan bij het kasteel een kerk of kapel met begraafrecht geweest moeten zijn, tenzij deze relicten uit het verleden van elders afkomstig waren.

Bronvermelding

De stad Amsterdam: Het huis Zaanen te Schoten, 1924.

- Uit archief Haarlemsdagblad;

21 sept. 1985

21 sept. 1985

26 aug. 1986

- Toekomst Huis Zaenen 1 okt. 1989

- Restaurant in Zaenen 9 jan. 1990

- Slotgracht om Zaenen 14 april. 1990

- Schemering rond Zaenen 1 febr. 1991

- Advertentie verkoop 2 mrt. 1991

- Cobraspen gegadigde 29 mei. 1991

- Huis Zaenen te bezichtigen 29 mei 1991

- Onderkomen 14 sept. 1991

AFBEELDINGEN

- Foto kleur en Z / W  P. Alles.

© Het Hollandse Kastelenteam 2011 - alle rechten  voorbehouden