Startpagina

1 omhoog

Oude prenten

Foto's

In vogelvlucht

Auteursrechten

 

 

 

Kasteel Purmerstein

Foto ter beschikking gesteld door Vereniging Oud Purmerend

Boven dit hoofdstukje had als titel kunnen staan 'van keurmedige tot edelman'.
Een toelichting op deze uitspraak is wel nodig, dus vertellen wij u dat een keurmedige een onvrij iemand is.
Bij het overlijden van een keurmedige had de heer van het land de eerste keus uit diens nagelaten goederen.

Dit instituut stamt uit de tijd dat een (groot) deel van de inwoners onvrij was. Geen slaven in de klassieke betekenis, maar mensen die behoorden tot het hof (curtis) waarop zij werkzaam waren. Die horigheid was erfelijk en men kon alleen maar vrij worden met toestemming van de landsheer.
Er bestond in het bisdom Utrecht 'de Hof te Amstel', dat heel Amstelland besloeg, Amsterdam incluis. In die stad leefde in het begin van de 14e eeuw een Jan de Lange. Hij was een keurmedige, hij behoorde toe aan de Hof van Amstel. De achtste oktober 1333 moet de belangrijkste dag van zijn leven geweest zijn, als hij toen nog leefde, want op die datum werden zijn zoon Eggebrecht, diens vrouw Niese en hun vier kinderen ontslagen uit hun keurmedigheid. Op dezelfde dag werd, bij een aparte akte!, ook zijn zoon Jan Eggert een vrij man.
Jan Eggert werd poorter van Amsterdam en maakte daar cariŽre, want bij de verzoening die tot stand kwam tussen hertog Albrecht enerzijds en enige edelen en de stad Geertruidenberg anderzijds, was Jan Eggert een van de twee magistraten die de stad Amsterdam daarbij vertegenwoordigde (6 december 1361).
In Westzaan kocht hij 1/4 deel van 42 maden land, die hij en zijn nageslacht in leen hielden van de graven van Bloijs.
Voor het laatst ontmoeten wij hem in de reeds genoemde akte van 1361. Vermoedelijk is hij in 1365 overleden, want zijn zoon Johan Eggert werd op 21 augustus 1366 door de graaf van Bloijs beleend met het leen te Westzaan.
Het ziet er naar uit dat Johan spoedig daarna is overleden, want in 1371 is Jan Eggebrechtsz. (de Lange) voogd over zijn kinderen en legt de leeneed voor hen af. De zoon van Johan Eggert, Willem Eggert, is voorbestemd geweest een groot man te worden. Hij vergaarde zich grote rijkdommen; het is de vraag op welke manier dat gebeurd is. Als we dat bekijken, komt hij ons niet sympathiek over.

In 1386 treedt hij op als borg voor zijn bloedverwant Jan de Lange, maar op 3 april 1393 fronsen we onze wenkbrauwen, want dan wordt hem het recht gegeven om in Amsterdam en overal elders 'mit beslotenre duere geld te wisselen'.
De bedoeling van dat geldwisselen was in principe niet slecht, maar geldwisselaars stonden over het algenieen in de middeleeuwen niet zo best aangeschreven. Willem Eggert heeft met zijn 'bankzaken' niet slecht geboerd, hij kon voor geld het schoutambacht van Amsterdam verwerven en in hetzelfde jaar treedt hij op voor hertog Albrecht als rentmeester van Oost- Friesland (de huidige provincie Friesland) (1399).

Willem Eggert, eerste Heer van de stad Purmerendt
per giftbrief van 04-11-1410 door Willem IV van Beieren
in leen gekregen de Heerlijkheden van Purmerendt en Purmerland.Verkreeg tevens de vrijheid een slot te bouwen hetgeen hij deed en voltooide in 1413.


In de zomer van 1401 leverde hij aan de hertog 71 reigers. In 1409 is Willem Eggert al opgeklommen tot lid van de Raad en thesaurier van hertog Willem VI.
Daaraan heeft hij het wel te danken dat hij in het jaar daarop de heerlijkheden van Purmer, Purmerend en Purmerland verkrijgt (4 november 1410). Hij liet er geen gras over groeien: zijn adellijke status was pas volledig als hij een kasteel bezat. Tussen 1410 en 1413 verrees in zijn nieuwe heerlijkheid het kasteel Purmerstein. Toch liet hem dit alles de financiele ruimte voor het stichten van de Nieuwe Kerk te Amsterdam en het daaraan verbonden Collegium Theologicum, waar theologisch onderricht gegeven werd. Hij was de man aan het hof van hertog Willem VI. Toen deze overleed trok Willem Eggert zich terug op zijn kasteel Purmerstein, hoewel hij gravin Jacoba beloofd had te helpen in haar oorlog.

In 1417 is Willem Eggert dood en begraven in een graf in de Nieuwe kerk te Amsterdam. Het schijnt dat hij tweemaal getrouwd geweest is, want in 1386 wordt gesproken over zijn tegenwoordige vrouw Nelle, dochter van Vechter Heijnenz.; dit wekt de indruk dat zij een voorgangster gehad heeft. Uit het tweede huwelijk worden twee kinderen genoemd, Jan Eggert en Imme. Janna Eggert, getrouwd niet Reinout van Brakel, zou dan een dochter uit het eerste huwelijk geweest kunnen zijn, zo ook Aleijd Eggert, gehuwd met Gerrit van Zijl. Behalve deze kinderen was er nog een onwettige dochter, Aleid, die getrouwd was met Jan Heijnenz. (van Amstel). Willem's enige zoon Jan Eggert, die al vroeg voorkomt als ambachtsheer van Sparendam en Sparenland (1404) en na de dood van zijn vader ook de heerlijkheden Purmer, Purmerend en het slot te Purmerend verkreeg (10 noveniber 1417) bleef, evenals zijn vader trouw aan gravin Jacoba.
Dat kwam hem te staan op verbeurd verklaring van al zijn goederen, toen haar tegenstander de overhand kreeg. Zelf moest hij de wijk nemen naar het buitenland. Dat was voor hem de stad Gent in Belgie (1422). Daar moest hij inkomsten hebben voor zijn levensonderhoud; hij had nog een akte in zijn bezit, waarmee hij een lijfrente op Haarlem had gekocht. Toen deze niet meer uitbetaald werd, liet Jan een inwoner van Haarlem die Brugge (als zakenman?) bezocht, arresteren. Deze kwam niet vrij, voordat hij beloofd had naar Haarlem te gaan en vandaar terug te keren naar Brugge met de verschuldigde 106 pond en 16 schellingen. Hugo Aerntsz., zo heette de Haarlemmer, kreeg in 1436/37 opdracht van de stad Haarlem om het geld naar Brugge te brengen. Nadat hij Antwerpen bereikt had, huurde hij een paard dat hem naar Brugge bracht. Deze reis kostte Haarlem 2 pond 8 schellingen.
Van Gent was Jan Eggert dus naar Brugge verhuisd, waar hem nog steeds in 1442/43 zijn rente op Haarlem uitbetaald werd. In hetzelfde jaar was hij ziek en niet meer in staat om te reizen, zodat hij in Brugge wonend, zijn ambachtsheerlijkheden van Sparendam en Sparenland overdroeg aan zijn neef Willem van Brakel 15 november 1442). Zijn heerlijkheid en slot van Purmerend had Jan Eggert overgedragen aan zijn zwager Gerrit van Zijl, die echter ook in ongenade gevallen was.
Hertog Johan berichtte (april 1421) aan de steden Monnickendam en Edam, dat heer Gerrit van Zijl zijn vijand was en dat hij daarom met 'de Raad en de Steden' overeengekomen was, om het slot te Purmerend 'neder te werpen'. Aanvankelijk werd de opdracht tot afbraak niet uitgevoerd, dat gebeurde pas in 1423. De goederen van de voortvluchtige Jan Eggert, werden door de hertog gegeven aan zijn eigen bastaardzoon Jan, met uitzondering van het slot met de twee daarbij gelegen dorpen, die bij de verzoening te Leiden aan heer Gerrit van Zijl toegekend waren (25 September 1422). Toen het met heer Gerrit misliep, hij was ook in ongenadegevallen, werd het slot alsnog in 1423 afgebroken. De hertog had echter al gauw spijt gekregen van dit besluit, want op 26 oktober 1423 stelt hij vast dat het in het belang van het land is, 'dattet huijs tot Purmerende weder begrepen en opgetimmert worde'. Het zou dus van belang zijn indien 's hertogen bastaardzoon Jan van Beijeren, het weer herbouwde. Dat wilde deze wel, maar hij liet zijn vader toch beloven, dat indien deze hem het herbouwde slot weer zou af nemen, hij aan hem (Jan) de kosten die hij voor de herbouw gemaakt had, zou terugbetalen. Toen hertog Philips zijn oom Johan ter zijde geschoven had, bevestigde hij toch diens bastaardzoon Jan in het bezit van het huis en heerlijkheid van Purmerend (29 juli 1426). Tijdens de opstand van de Kennemers in 1426 werd na het mislukte beleg van Haarlem, ook Purmerend belegerd, doch deze expeditie liep voor hen op niets uit. De bezetting van het slot wist de aanval af te slaan. Heer Gerrit van Zijl, zwager van Jan Eggert, had van zijn schoonvader Willem Eggert, de heerlijkheid en slot van Purmerend overgenomen. Hij noemt zich steeds heer van Purmerend, hoewel Jan de bastaard van Beijeren de officiele bezitter was. Aan deze toestand kwam een einde bij de verzoening die in 1430 te Delft plaatsvond. Jan van Beijeren deed afstand van zijn rechten en heer Gerrit van Zijl was nu ook officieel weer heer van Purmerend. De verandering van 'opperbaas', hertog Albrecht - hertog Willem VI - gravin Jacoba - hertog Johan - hertog Philips, allen met hun tegenstrijdige politieke opvattingen, waren funest voor de adel, we hebben dat al verschillende malen kunnen constateren. Ook voor heer Gerrit van Zijl was deze periode een financieel debacle geworden. Bijna elke wisseling van landsheer had hem geld gekost.
In 1440 lijkt zijn financiele ondergang nabij: hij steekt zich zwaar in de schulden, en wordt achtervolgd door schuldeisers. Hem blijft geen andere uitweg dan slot en heerlijkheid te verkopen. Daarvoor was echter toestemming van hertog Philips nodig. Zijn verzoek daartoe werd op 26 februari 1440 in gunstige zin beantwoord en op 20 maart d.a.v. draagt heer Gerrit 'slot, stad en dorp van Purmerend en Neck' over aan heer Johan heer van Montfoort. Deze had er 10150 'Bourgondische schilden geheten clinquaerts' voor over om in het bezit van de Purmerendse goederen te komen.
Bijna negen jaar later (7 juli 1449) wordt zijn zoon Hendrik heer van Montfoort met slot en heerlijkheid beleend. Nauwelijks 10 jaar bleef hij in het bezit, want op 1 november 1460 wordt zijn zoon Jan heer van Montfoort alweer in het bezit gesteld. Het slot blijft zijn rol spelen in de nationale politiek, want in 1480 had de heer van Montfoort ruiters erin gelegerd. Dat was niet naar de zin van de aartshertog van Oostenrijk, die toen graaf van Holland was. Vier maal gelastte hij dat het slot ontruimd moest worden, maar pas na lange aarzeling stemde de heer van Montfoort hierin toe (31 mei 1480). Toen Johan lll heer van Montfoort ca. 1521 overleed, werd hij opgevolgd door Joost heer van Montfoort, Purmerend etc. zijn zoon (1522). Hij was de laatste van Montfoort die in het bezit was van de heerlijkheid en slot te Purmerend. Vermoedelijk is Joost in 1538 overleden en verkochten zijn erfgenamen slot en heerlijkheid aan Karel graaf van Egmond, die in 1538 te Purmerend als heer van de stad werd ingehuldigd en de eed aflegde. Na afloop van deze plechtigheid bezocht hij het St. Ursulaklooster. Dat weten we uit een verklaring die door enkele nonnen voor een notaris in 1547 werd afgelegd.
 De nonnen wilden niets anders dan een rieten dak op hun hooiberg. Het spreekt wel vanzelf dat dit verzoek toegestaan werd. Zekerheidshalve, je kunt nooit weten, wordt dit voorval bijna lO jaar later in een notariele akte vastgelegd.
Zijn broer, Lamoraal graaf van Egmond, die door Alva onthoofd werd, was tijdens zijn leven in het bezit van slot en heerlijkheid. Diens oudste zoon Philips graaf van Egmond was zijn opvolger, doch zijn goederen werden in 1582 door de Staten van Holland geconfisqueerd. Dit betekende wel het einde van de burcht, die tot dan toe de eeuwen aardig had getrotseerd. Onderhoud kostte veel geld en dat werd er niet voor beschikbaar gesteld, waarschijnlijk omdat de kas leeg was. Toen ter ere van de Vrede van Munster kanonnen op de muren geplaatst werden om saluutschoten te lossen, stortte door het dreunen een van de torens in (1648).
De regering van de stad zond een request aan de Staten van Holland (12 december 1729), waarin stond dat 'reeds de solderingen en verdere securiteijten van de nog in wesen sijnde gevangenplaatsen (de- welke nu maer alleen bestaan uijt een kelder die met drie hokken is afgeschut) so seer vergaan, dat deselve tot detensie van criminele(n) teenen- male insufisant ende onbequaam sijn. En daar en boven een toorn (toren), waarin een gijselkanier en enige hoognodige gevangen-plaatsen waaren reeds van binnen ingestort ende geruineert. Wijders een tweede toorn ten uijterst bouwvallig, gescheurt en op 't punt van elkander ter needer te vallen, gelijk meede de soldering van de groote zaal, dewelke een groot gedeelte van 't slot beslaat, sodanig is veroudert en door lekkagie als andersins verswakt, dat insgelijks staat ter needer te storten, en ook dat het dak van tselve sloth sodanig gederaliseert dat wanneer het reegent het waater vermits de meenighte van lekkagien door 't gantsche sloth heen stroomt tot een onuitspreeckelijkck bederff en verdere rui'ne van tselve'.

Het antwoord van de Staten zal het stadsbestuur wel verrast hebben: deze gaven namelijk het slot aan de stad cadeau. Nadat de stad zich een twaalftal jaren verheugd had in het bezit van de ruine, liet het stadsbestuur die in 1741 afbreken. De stal, die pas 40 jaar oud was, bleef staan en werd als schoutshuis ingericht. Een tijdland deed het daarna nog dienst als kaaspakhuis, dat weer verbouwd werd tot een drietal woonhuizen (1885). De brug naar het slot moet gelegen hebben tegenover het hotel 'Paradijs" (1947).

Het kasteel was ongeveer vierkant van vorm, op elke hoek stond een vierkante toren, terwijl aan weerskanten van de ingang nog twee achtkantige torens te zien waren. De grote zaal werd ook wel de marmeren zaal genoemd, omdat de vloer bestond uit marmeren blokken. Verder was er nog de zogenaamde Prinsenzaal, waar in 1612 de prinsen Maurits en Frederik Hendrik werden ontvangen, toen zij kwamen kijken naar de drooggelegde Beemster. Op het voorplein hadden de terechtstellingen plaats. Of dat vaak gebeurd is, weten we niet. Dat valt wellicht uit het aantal doodvonnissen af te leiden. Op het ogenblik is er niets nieer te zien dat nog aan het slot herinnert, heeis vrijwel geheel onder de huidige bebouwing verdwenen. Als men Purmerend bezoekt, herinnert niets meer aan de functie die het kasteel in de stad gehad heeft.

Bronvermeldingen

- Koerier 1985.(krant)

- Middeleeuwse kastelen van NoordHolland; Mr. J.W. Groesbeek,

- G.vanSandwijk, blz. 12-15 &154-161.

- P.M. Verhoofstad, blz. 36 - 43.

- Magazijn voor de jeugd, 1 pagina. blz. 276 - 284.

 

 

 

© Het Hollandse Kastelenteam 2011 - alle rechten  voorbehouden