Startpagina

1 omhoog

Map Kennemerland

Auteursrechten

 

 

 

Kasteel Merestein

Meermalen hebben we reeds gewezen op de nauwe samenhang tussen de familie's Van Haarlem en Van Egmond. Duidelijk merkbaar is die in Heemskerk: in de loop van de 13e eeuw behoorden vrijwel alle grond ten oosten van de Hoflanderweg-Veerweg (Tolweg) aan beide of aan een van deze beide geslachten.
Voor 1248 was er nog een belangrijke uitzondering op deze stelling.
De Hollandse graven bezaten voor 1248 een 'curtis' die 'Hofland' heette, gelegen volgens de oorkonde in Heemskerk. 'Curtis' kunnen we vertalen door 'hof. Dit woord 'hof is hier gebruikt in de betekenis van groot- grondbezit, dat vanuit een centraal punt (hof) bestuurd werd, denk aan  " een begraven hof"
In genoemd jaar (1248) droeg graaf Willem Il deze curtis over aan heer Simon van Haarlem en diens 'zwager' heer Wouter van Egmond.
Waar moeten we nu deze 'curtis Hofland' zoeken? In een tijdschriftartikel identificeert de heer Van Foreest deze curtis met 'Oud Haerlem' dat in Heemskerk ligt. Hij concludeert daaruit, dat Oud Haerlem pas na 1248 ontstaan is. Wij zijn het niet met deze zienswijze eens, want:

1. Het ons bekende Hofland, waaraan de Hoflanderweg zijn naam ontleent, ligt niet in Heemskerk maar in Wijk aan Duin (nu Beverwijk). De later genoemde 'heerlijkheid Hofland' strekte zich uit vanaf de grens tussen Heemskerk en Wijk aan Duin tot de stad Beverwijk toe.

2. Ter weerszijden van deze grens stonden twee kastelen, 'Merestein' en 'Uterwijk', die beide aan de Van Egmond's toebehoorden. Merestein ligt in Heemskerk, Uterwijk in Wijk aan Duin. Daar beide kastelen aan de Van Egmond's toebehoorden, is het aannemelijk dat beide oorspronkelijk een geheel hebben gevormd en pas later (bij erfdeling) gesplitst zijn.

Een combinatie van 1 en 2 leidt tot de conclusie, dat dit ene geheel de oorspronkelijke 'curtis Hofland' geweest is. Een bezwaar lijkt dat de curtis Hofland volgens de akte van 1248 in Heemskerk lag. We kunnen dit probleem alleen maar oplossen door aan te nemen dat Wijk aan Duin (Wijkambacht) oorspronkelijk tot Heemskerk behoord heeft als 'wijk bij Heemskerk'. Dit Wijkambacht is later als afzonderlijk gerecht van Heemskerk afgesplitst, aan welk ambacht tenslotte weer Beverwijk onttrokken is als 'de stad' Beverwijk.
De zoeven genoemde heer Simon van Haarlem, die samen met zijn 'zwager' heer Wouter van Egmond de curtis Hofland gekocht had (1248) gaf aan laatstgenoemde op 10 maart 1250 in leen de grond waarop Merestein verrees. Deze heer Wouter moet ook Uterwijk (Oosterwijk) bezeten hebben, want de weduwe van zijn zoon Gerrit van Egmond, Aleid van Brederode, komt meestal voor als 'Aleid vrouwe uter Wijk'.
De tweede zoon van heer Wouter, Floris van Egmond verkreeg Merestein en was stamvader van de faniilie van die naam. Zijn zoon Albrecht leefde nog in 1335 en was getrouwd met Elisabeth van den Woude. Diens zoon Jan van Egmond was de eerste die zich 'van Merestein' noemde (1330).
Vijfjaar daarvoor was hij tot ridder geslagen. Daar hij ook het huis Uterwijk (Oosterwijk) bezat, wordt hij in de oorkonden ook wel Jan uter Wijk genoemd. Het kasteel Uterwijk verkocht hij echter op 9 december 1336 aan Coenraad Cuser.
Misschien heeft hij het kasteel Merestein laten bouwen en daarna Uterwijk van de hand gedaan. Heer Jan was tweemaal getrouwd geweest; eerst met Genephie van Rodenburch en daarna met Baerte van IJsselstein. Vier generaties lang dragen de leenmannen - Egmond van Merestein de voornaam Albrecht.
Van een van hen willen we een nogal bijzonder feit memoreren: duidelijk blijkt dat gravin Jacoba toen zij in 1429 Albrecht van Egmond van Merestein moest belenen, naar middelen zocht om dat niet te doen. Zij beval aan haar Raad de leenbrief, die Albrecht moest overleggen, nauwkeurig te onderzoeken op echtheid. Vooruit had zij kunnen weten,
dat de briefecht was, want Albrecht bezat nog steeds de originele brief van 10 maart 1250, compleet met het zegel van heer Simon van Haarlem.
Twijfel was niet mogelijk. Op de ochtend van 30 april 1429 vond dan ook de belening plaats. Toen die plechtigheid afgelopen was, hielden de leden van de Raad lunchpauze. Na de lunch wilden de heren de bewuste leenbrief opnieuw in bespreking brengen. Zij kwamen dus weer in vergadering bijeen en aan heer Jan van Neck, de biechtvader van gravin Jacoba,
werd opgedragen de originele brief ter tafel te brengen. Was het een ongeluk of opzet dat heer Jan de brief uit zijn handen op de plavuizen liet vallen?
Geen wonder dat het aangehechte zegel die val niet overleefde: het spatte in stukken uiteen. Nu was de brief, zonder zegel, krachteloos geworden. Dit voorval ging de Raad te ver. Er werd een procesverbaal van het gebeurde opgemaakt, waaraan toegevoegd werd dat de brief niet ongeldig geworden was door het ontbreken van het zegel, maar dat deze brief 'in alre sijnre machte wesen en blijven sal gelijkerwijs off hij all ende vol besegelt en niet gebroken en waer'. Voortaan moest steeds naar deze akte (gedateerd op 22 mei 1429) verwezen worden bij elke volgende belening.
De derde Albrecht (van Egmond) van Merestein ontving zijn leen in 1469.
Bij de strijd met het opstandige Kaas- en Broodvolk (1492) werd zijn slot door hertog Albrecht van Saksen met zijn Duitse huurbenden bezet. De kasteelheer was toen, volgens een oude kroniek, 77 jaar oud, doch dat belette de 'kloeke' soldaten niet om hem in gevangenschap weg te voeren en hem pas na betaling van een grote losprijs weer vrij te laten.
Het is niet zeker of Albrecht (die in 1507 overleed) het huis Merestein permanent bewoond heeft, want in 1472 en 1474 wordt gezegd dat hij te IJsselstein woonde. Deze mededeling gaat vergezeld van de vernielding dat Albrecht 'het huis Meerestein niet omtrent 7 vierdel lands en 36 geersen lands (12 morgen) gelegen in Heemskerk, waardig (= huurwaarde) omtrent 80 Rijnse guldens in ken houdt'. Van-deze 80 guldens moesten afgetrokken de 20 guldens die nodig waren voor onderhoud van huis en grachten.
Zijn zoon Albrecht, de vierde met deze voornaam in successie, gaan we voorbij. Diens zoon Jan van Egmond van Merestein, die in 1546 overleed, was getrouwd geweest met Amelia van Grombach. Na de dood van Jan huwde zij voor de tweede maal en wel met jhr. Raes van Vernou. Deze werd voogd over de kinderen van zijn vrouw uit haar eerste huwelijk: Frederik, Albrecht en Anna van Egmond van Merestein. Ten aanzien van deze kinderen wordt door Scholtens in zijn boek 'Uit het verleden van Midden-Kennenierland' gezegd, dat zij de nieuwe leer waren toegedaan, zich zorgen maakten over hun toekomst en dat zij daarom in 1560 losrenten en brieven overdroegen aan jhr. Raes van Vernou en dat deze namens hen landerijen moest verpachten.
De waarheid is dat jhr. Raes van Vernou voogd en verzorger (stiefvader!) was van genoemde kinderen en op geschetste wijze in het bezit kwam van geld dat voor hun opvoeding nodig was. Het al dan niet 'de nieuwe leer' toegedaan zijn, speelt hierbij in het geheel geen rol.
Op 29 mei 1566 verklaren de kinderen dat zij nu meerderjarig zijn en niet meer onder voogdij staan, zodat zij zelf hun goederen kunnen beheren.
Het volgende jaar (1567) moesten alle pastoors aan de hertog van Alva verslag doen van het gedrag van hun parochianen. De pastoor van Heemskerk haastte zich te verklaren dat jhr. Frits (Frederik) van Egmond, wonende op Merestein, geen goed Christen was 'tot grote schandale van diversche simpele lieden', ook omdat jonker Frits zich bemoeide met Jan Pietersz., de afvallige pastoor van Castricum.
Jonker Albrecht, de broer van Frits, bleef buiten schot, want deze had wel altijd op Merestein gewoond, maar was nu verdwenen, zonder dat de pastoor wist waarheen.
 

Wij die nu achteraf de feiten beter kunnen overzien dan de pastoor, weten dat jhr. Albrecht zich in 1566 aangesloten had bij het Compronis der Edelen. Bij het beleg van Haarlem in 1572 werd hij door de Spanjaarden gevangen genomen en naar het huis ter Kleef gevoerd om daar met andere edelen geexecuteerd te worden. Hij wist echter te ontsnappen, vermoedelijk door omkoping van zijn bewakers. Het gerucht gaat dat meer gevangenen op deze wijze hun vrijheid herkregen hebben.
Prins Willem maakte jhr. Albrecht 'krijgscommissaris'. Later was hij kapitein in Staatse dienst en van 1584-1586 baljuw en schout van Den Haag. We zijn even afgedwaald ter wille van de levensloop van jhr. Albrecht.
Zijn oudste broer jhr. Frederik was in 1547 beleend met de goederen van zijn vader, doch het duurde tot 1 december 1565 dat hij zelf de leeneed aflegde. Zijn bezittingen werden later door koning Philips Il verbeurd verklaard. Jhr. Frits stierf in 1576; zijn weduwe Hectorie van Hoexvier, die hertrouwd was met een Utrechts edelman Loef van der Haer, overleed in 1615.
Met hun zoon Jan van Egmond van Merestein stierf deze tak van de familie van Egmond uit. Jan was pas 33 jaar oud en ongehuwd toen hij stierf 'op de vloot', waarover admiraal Pieter van der Does het bevel voerde (1599).
Zijn zuster Lucretia was a1 een paarjaar eerder gestorven ook in 1608 de bij het huis behorende landerijen doen opmeten door de landmeter Cornelis Jansz. Verbeeck. In het bezit van Merestein werd hij in 1615 opgevolgd door zijn zoon jhr. Pieter Ruijsch. Diens vrouw Jesse van Renesse van Baer, overleed er in 1634 en werd in Beverwijk begraven.
Toen Jeronimus Coijmans te Beverwijk fl. 40.000 voor Merestein bood, verkocht jhr. Pieter Ruijsch het hem op 27 juli 1645.
Van de 19 morgen land, die er toen bij behoorden, werden er 14 in leen gehouden. Het bouwhuis van Jurriaan Willemsz. op de nederhof was bij de koop niet inbegrepen, evenmin als de opstal 'beneden de laan op de croft', die aan Simon Baertsz. toebehoorde (later stond hier de boerderij van de familie De Ruijter).
Jeronimus Coijmans liet Merestein na aan zijn dochter Catharina, gehuwd met Constant Sohier de Vermandois, heer van Warmenhuizen. Na hun dood wordt eerst hun zoon Jeronimus beleend (1659), doch in 1664 diens broer Nicolaes, die tot vrouw genomen had Anna Chr. Pauw van Bennebroek.
'Het aloud adellijck slot te Meeresteijn met al zijn plantagie, hoven, singels, vijvers etc., groot 10 morgen 510 roeden Rijnlandse maet, gelegen te Heemskerk op Hoogdorp' wordt voor slechts fl. 7.600 door genoemde Anna Pauw in 1690 verkocht aan Jacob Boreel. Voor de vrijheer van Duijnbeek, St. Aecht en Meresteijn, zoals Jacob Boreel, ridder, zich liet noemen was het huis niet passend genoeg. Hij brak het af en liet er een naar zijn smaak neerzetten. Ook mr. Joachim Rendorp, heer van Marquette, was blijkbaar in Merestein geinteresseerd, want hij kocht op 18 april 1704 van Anna Pauw al haar landerijen, tesamen groot 61 morgen, met de tienden, voor een bedrag van fl. 13.000! Daarbij inbegrepen was 'elk recht van riddermatigheid of om den titel heer van Meresteijn te voeren'.
Verkoopster gaf geen enkele garantie dat de koper deze titel zou mogen voeren. Dit was namelijk zeer twijfelachtig, want het huis Merestein was gekocht door Jacob Boreel, de zoon van mr. Jacob en Isabella Coijmans, en heerlijkheidsrechten waren er niet aan verbonden.
In het bezit der Boreel's is Merestein niet lang gebleven, want Jacob Boreel verkocht 'het aloud adellijk slot Meeresteijn, groot 10 morgen 510 roeden met alle huijsingen, landerijen en plantagien' op 16 oktober 1714 aan een rijke koopman Hendrik van der Spelt genaamd. Bij deze gelegenheid (1716) werden door landmeters kaarten vervaardigd van de bij het kasteel behorende landen in Heemskerk. Daarop was duidelijk de afscheiding te zien van deze terreinen met de Meresteinse landen van
mr. Joachim Rendorp onder Wijk aan Duin, die deze in 1704 gekocht had. Laatstgenoenide heer heeft getracht het oude slot Merestein geheel te elimineren. Het huis op zijn Meresteinse landen gaf hij de naam 'oud Meresteijn', in strijd met de waarheid. Dit laatste huis heeft het echte oude slot in de volksmond 20 overvleugeld, dat men als er gesproken werd over Merestein daarbij alleen maar dacht aan Merestein onder Wijk aan Duin.
De huurwaarde van het oude slot Merestein werd geschat op fl. 120 per jaar .
Toen Hendrik van der Spelt stierf, bezat hij een vermogen van fl. 700.000. Zijn weduwe, Susanna Catharine Pels, wist dit te vergroten tot fl.1.102.914. Zij bewoonde Merestein niet meer en toen zij op 15 augustus 1760 stierf, werd het door haar erfgenamen verkocht. Van 10 morgen was de bezitting toen vergroot tot 27 morgen. Een groepje speculanten, inwoners van Edam, kochten deze voor fl. 10.000, en wisten Merestein nog in hetzelfdejaar voor fl. 12.700 over te doen aan mr. Cornelis Deutz van Assendelft. Het huis was bestemd tot bewoning voor zijn schatrijke erftante Elisabeth Jacoba Bors van Waveren, die bij haar dood in 1771 op Merestein een vermogen naliet van fl. 1.098.800! Toen Elisabeth overleden was, verdween Merestein uit Cornelis' belangstelling en het slot werd te koop aangeboden. Een bod van fl. 11.500 van Jan Jacob van Herzeele, een rijk koopman te Amsterdam, werd aanvaard en deze kocht alles op 15 oktober 1773. Van Herzeele bezat ook het landgoed 'de Vlotter' te Heemskerk, waar hij zijn jagersinstincten botvierde. Van Merestein kon hij ook alleen de gronden gebruiken als jachtterrein; daarom liet hij het slot afbreken.
De naam 'Meresteijn' ging daarna over op een boerderij die ten zuidwesten van het oude huis lag.
In 1815 was de bekende staatsman mr. Gijsbert Karel van Hogendorp eigenaar van de gronden en de ruine Merestein, dat toen nog slechts 8 morgen groot was. Op een gravure van R. Roghman zien we Merestein (ca. 1640) als een vierkante woontoren met een aanbouw waarin zich de poort bevond, bereikbaar via een vaste brug over de gracht. De woontoren werd voor 1730 vervangen door een eenvoudig huis. Midden in de voorgevel bevond zich een uitbouw met een balkon daarboven. In deze uitbouw was de ingang. Aan weerszijden hiervan zag men in het front slechts een raam. De bovenverdieping had er slechts drie, de toegang tot het balkon inbegrepen. Zo zien we het nog afgebeeld bij de Leth, ca. 1730.
Na de afbraak zijn er wat restanten in de grond achtergebleven. Bij grondwerkzaamheden in later tijd werden fundamenten aangetroffen van 4 meter breedte, waarschijnlijk afkomstig van de brug. Op de hoek van de laan die van Merestein naar de Hoogdorperweg liep, werden sporen van een poort gevonden.
Een uitgebreid archeologisch onderzoek heeft niet plaatsgevonden; verdere gegevens zijn dus niet beschikbaar.

 

 

Het Hollandse Kastelenteam 2011 - alle rechten  voorbehouden