Startpagina

1 omhoog

Auteursrechten

 

 

 
Kasteel Adrichem te Beverwijk
Eeuwenlang is aangenomen dat dit het 'kasteel' was dat door 
koning Karel Martel omstreeks 730 aan Willebrord geschonken was.
Deze opvatting is echter niet te handhaven. Het bedoelde Adrichem van
730 lag in Velsen en heeft niets dan de naam gemeen met Adrichem dat in
Wijk aan Duin (later gemeente Beverwijk) gelegen was.
Het napluizen van de geschiedenis van dit laatstgenoemde Adrichem
wordt bemoeilijkt door het feit dat het niet in de grafelijke leenregisters
voorkomt. Het was geen leen maar eigen goed.
Toch heeft een ijverig speuren naar de oudste geschiedenis van dit kasteel
resultaat gehad. Gebleken is dat deze geheel anders was dan tot nu toe
werd gedacht.
In de eerste helft van de 14e eeuw leefde er een Dirk van Valkenburg.
Uit het door zijn familie gevoerde wapen blijkt dat hij een bastaard van
Brederode was. Misschien behoorde zijn moeder niet tot de stand van
'vrije lieden', of was zijn eigen vrouw Agatha onvrij, dat weten we niet
precies. We weten wel dat Dirk van Valkenburg op 17 november 1347
'vrij' verklaard werd, dus niet meer in 'dienstmansverband aan de graaf
van Holland verbonden was. Zijn vrouw Aghatha bezat een rente van 10
pond per jaar op 'Aernts hoeve van Berkenrode' te 's Gravensande.
Hun zoon Willem Dircsz. van Valkenburg krijgt verlof om deze rente te
verkopen, met uitzondering van de lijftocht (vruchtgebruik) die zijn moeder
Agatha daarop heeft (19 april 1356).
Blijkbaar heeft zij nog lang geleefd, want pas op 24 december 1377 is deze
rente (die een leen gebleven was), na haar dood aan de hertog teruggekomen.
Willem Dircsz. van Valkenburg noemt Arend van Berkenrode zijn
oom. Hij of zijn vrouw moeten dus deze rente op de Berkenroodse hoeve
bij een boedelscheiding gekregen hebben. Van Agatha weten we nog dat
zij na de dood van Dirk van Valkenburg hertrouwd was met Jan van Hillegom.
Hiermede is de positie van Dirk van Valkenburg enigszins geschilderd.
De zoŽven genoemde Willem Dircsz. van Valkenburg bezat 'die husinge,
hofstede en lant daertoe behorende, gelegen in onsen (d.w.z. van de graaf
van Bloys) heerlijkheid van Beverwijk, in 't Vrijtgers'.
Dit moet een aanzienluk bezit geweest zijn. Het is deze 'huzinge' die later
als het kasteel Adrichem de geschiedenis in zal gaan.
Graaf Jan van Bloys doet, als heer van Beverwijk, ons weten dat Willem
zijn leengoed heeft overgedragen aan (zijn bloedverwant) heer Floris van 
Adrichem (26 november 1365). Als toelichting op deze overdracht vermeldt
de graaf dat Willem en diens vader Dirk van Valkenburg het landgoed
reeds lang in erfpacht hebben gehouden, ook van zijn voorgangers.
Daar Willem van Valkenburg aan graaf Jan veel diensten bewezen heeft,
zet deze eerst de erfpacht om in een onversterfelijk leen en dit maakt het
hem nu mogelijk het leen te verkopen.
De koper, heer Floris van Adrichem was baljuw en rentmeester van graaf
Jan van Bloys, en had nu een geschikte woning om daarin zijn ambtsbezigheden
uit te oefenen. Het huis kon dienen als verblijfplaats voor graaf Jan
wanneer deze zijn noordelijke bezittingen bezocht, want zelf woonde hij
op het slot te Gouda. Dat dit inderdaad zo gegaan is, weten we uit een bewaard
gebleven rekening. Daarin lezen we dat de graaf verblijf hield in het
huis van heer Floris van 8 januari tot 1 februari 1376. Terwijl hij in het huis
Adrichem logeerde, gaf de graaf aan Claas van Adrichem Dammaszoon
(of Damenzoon) 'van beelzier' (= plezier) 2 stilden en later nog eens 12
plaggen (munt). Vermoedelijk moeten we dit zo zien dat Claas zich zo plezierig
had gedragen, dat hij geld kreeg om zelf plezier te maken.
Voor de verwarming van het kasteel bracht in die maand Vrederic Hannenz.
er een wagen met turf heen. De graaf vertoefde er opnieuw in het
jaar 1381/82. Heer Floris had toen haring ingeslagen om zijn hooggeboren
gast te tracteren. Graaf Guy van Bloys overnachtte er met zijn vrouw
Machteld van Gelre en groot gevolg.
Heer Floris leefde nog in 1391 en is misschien in 1397 overleden, want zijn
zoon eveneens Floris geheten, kreeg op 16 februari 1398 uitstel van belening.
Normaal gesproken moest belening gevraagd worden binnen een
jaar na de dood van de vorige leenman.
Deze Floris van Adrichem was getrouwd met jvr. Lijsbeth, dochter van
Sijmon van Zaenden, die erg in de gunst stond bij hertog Albrecht.
Dat met hun huis Adrichem inderdaad het bekende kasteel bedoeld .
wordt, blijkt uit het feit dat in een akte van 1399 sprake is van een stuk land
'in het ambacht van der Wijk after heren Florens huijs van Adrichem binnen
St. Aechtendijk'. Dit gegevens klopt met de latere omschrijving van de
ligging. Een maand later (12 maart 1399) wordt in de akte nog eens opgerakeld
hoe het met dit leengoed Adrichem verlopen was vanaf Dirk van
Valkenburg, waarover wij boven uitvoerig gesproken hebben. Na de
constatering dat Floris na de dood van heer Floris, zijn vader, leenman van
de hertog geworden is, vertelt deze dat hij op verzoek van 'ons lijfs ende
gemijnden Sijmon van Zaenden ende om dienst wille die ons Sijmon
voirs. lange gedaen heeft ende hi ende Floris voors. nog doen mogen de
huizinge en toebehoren uit de leenband ontslagen en aan Floris (schoonzoon
van Sijmon van Zaenden) in eigendom gegeven heeft'. Dat was wel
prettig voor Floris, maar niet voor ons daar Adrichem sedertdien niet
meer in de leenregisters voorkomt.
Evenals zijn vader werd Floris baljuw en rentmeester voor een deel van de
goederen van Bloys, die nu weer, na het kinderloos overlijden van de graaf
van Bloys, aan hertog Albrecht waren gekomen.
Niet zo best was, dat Floris een zekere Nanne Jansz. doodsloeg. Hij werd
hiervoor gerechtelijk vervolgd en had de wijk moeten nemen.
Op 20 februari 1402 krijgen hij en zijn broer Claas daarvoor vergiffenis.
Twee jaar later (16 december 1404) wordt hij beleend met de ambachtsheerlijkheid
van Akendam, Hofland en (Haarlemmer)Liede.
Toen er een moord gepleegd was op Sijmon van Zaenden, traden Floris
van Adrichem met zijn twee zoons op voor de nabestaanden van Sijmon
(26 december 1415). In een leenregister van het jaar 1428 wordt Floris nog
genoemd, maar het volgend jaar blijkt hij dood te zijn.
Zijn vrouw jvr. Lijsbeth van Zaenden overleeft hem, want pas op 18 mei
1413 wordt zij als 'overleden' vermeld. Op die datum wordt namelijk haar
zoon, oude Sijmon van Adrichem, beleend met de ambachtsheerlijkheden
van Akendam, Hofland en de Liede. Het kasteel Adrichem was echter zijn
eigendom, zodat dit niet in de akten genoemd wordt.
Van Sijmon kennen we een portret, een geschilderd paneel, daterend uit
ca. 1450. Op de achterzijde hiervan staat 'Die edele Simon van Adrichem,
die sterf anno 1482 begraven te Beverwijk'. Het opgegeven sterfjaar is onjuist.
Sijmon leefde nog in 1487/88, want hij werd toen beleend met 12 
pond uit de renten van Beverwijk. Kort daarna moet hij overleden zijn,
daar in het volgend jaar (1488/89) zijn zoon Arend met dit leen beleend
wordt.
Ook Sijmon's vrouw, Lijsbeth van Duvenvoorde, heeft zich laten portretteren.
Dat van haar man hangt in Sestri Levante bij Genua, het hare in
het Mauritshuis in Den Haag. Op dit laatste portret staat als opschrift: 'afbeeltsel
van juffr. Lijsbeth van Duvoorde heer Dircksdochter. Sij troude
den 19 Meert 1430 aan Sijmon van Adrichem, ridder, heer Floriszoon, en
sterf op ons Heeren Hemelvaertsavond anno 1472, en is begraven in
in 't Reguliersconvent voor het H. Cruijsautaer dat hij (sij?) hadde
doen maken'. In haar hand houdt zij een band met een spreuk: 'i verdriet
lange te hopen. Wie is hi die sijn hert houdt open?'. Op het eerste gezicht is
dit opschrift nogal raadselachtig.
Het antwoord op de vraag moet luiden: Sijmon (van Adrichem), want de
band heeft een S-vorm.
De oudste zoon van dit echtpaar, Floris van Adrichem, die eveneens baljuw
geweest is en als zodanig het kasteel bewoonde, liet bij zijn vrouw
Machteld van Poelenburg geen kinderen na toen hij in 1500 stierf.
De tweede zoon, Nicolaes van Adrichem, werd abt van Egmond. Toen
deze in 1476 moest vluchten voor het oorlogsgeweld, bracht hij alle kostbaarheden
en perkamenten van de abdij naar het kasteel Adrichem bij Beverwijk,
onder de hoede van zijn broer Floris. Toen ook deze schuilplaats
niet veilig genoeg bleek, werd alles weer overgebracht naar het Karmelietenklooster
in Haarlem.
De derde zoon, Arend van Adrichem, verkreeg Adrichem pas na de dood
van zijn broer Floris. Arend werd echter op 4 maart 1490 reeds beleend
met de ambachtsheerlijkheden van Akendam, Hofland en de Liede.
Erg lang heeft hij van zijn kasteel Adrichem niet kunnen genieten, daar hij
al in 1504 overleed.
Zijn weduwe Agatha Suijs, dochter van Pieter Suijs, is tot haar dood in
1538 Adrichem blijven bewonen.
In zijn lenen werd Arend opgevolgd door zijn oudste zoon Simon van
Adrichem (1505)) maar deze moet niet zo heel lang daarna overleden zijn,
want op 20 maart 1507 zien we zijn jongere broer Pieter van Adrichem zijn
plaats als leenman innemen. Pieter was toen nog minderjarig, zodat hij de
leeneed niet zelf mocht afleggen. Dat gebeurde op 5 februari 1517.
In 1526 trouwde hij met jvr. Adriana Ramp, maar het echtpaar bleef kinderloos.
Zijn zuster jvr. van Adrichem trouwde met mr. Lieven van
Burgh, die een proces begon tegen zijn zwager Pieter van Adrichem toen
deze probeerde een leengoed uit het familiebezit te verkopen aan heer Gerrit
van Assendelft. Mr. Lieven won het geding; Pieter mocht het leen niet
aan heer Gerrit verkopen, maar hij moest het afstaan aan mr. Lieven.
Toen Pieter overleed was zijn genoemde zuster jvr. Willem zijn erfgename,
zodat mr. Lieven van Burgh, haar man, ook het kasteel Adrichem
verkreeg. Beide echtgenoten overleden in Zierikzee in het najaar van 1556,
in hun leenbezit opgevolgd door hun zoon Anthonis van Burgh (1558).
We hebben zijn vader mr. Lieven van Burgh genoemd, omdat hij onder
die naam bekend staat, zijn werkelijke naam luidde echter: Lieven Anthonis
Blockxen van Burgh. Diens vader heette dus eenvoudig Anthonis
Black of Blockxen, zoals we weten uit een akte van 30 augustus 1515.
Het kasteel was door Lieven van Burgh, vader van Anthonis, herbouwd
op het oude fundament. Volgens Hadrianus Junius had Anthonis er ca.
1556 een muur omheen laten bouwen.
Zelf had Anthonis het slot verlaten om in Amsterdam te gaan wonen
(1575).
Nadat het door oorlogshandelingen danig geleden had, is Anthonis kort
voor zijn dood met het herstel begonnen.
Diens zoon, Cornelis Anthonisz. van Burgh, was in 1588 nog burgemeester
van Zierikzee, maar stierf in 1618 op Adrichem en werd te Zierikzee
begraven bij zijn echtgenote Regista Hopperus.
Hun zoon Anthonis Cornelisz. van Burgh heeft het kasteel 30 jaar lang bezeten.
Hij bewoonde het samen met zijn zusters Maria en Cornelia.
Danig ging hij over de tong toen hij trouwde met de 'meid van zijn zuster',
een zekere Aechte van Hillegom. Hun zoon FranÁois van Burgh erfde
Adrichem maar woonde meestal in Utrecht. Gelukkig misschien maar
voor zijn mensen op Adrichem, want hij was bijzonder opvliegend van
aard. Toen hij in 1653 de advocaat van zijn tegenpartij te lijf ging, werd hij
zelf doodgestoken. Zijn weduwe, Anna Dierhout, woonde nog op het
kasteel toen hun enige zoon Cornelis van Burgh in 1664 te Utrecht trouwde
met Cecilia Dierhout. Na de dood van haar man verkocht Cecilia het
huis in 1676 aan Hendrik Scholten, koopman en bewindhebber van de
O.I. Compagnie, voor f 34.000.
Diens erfgenamen droegen in 1722 het huis weer over aan mr. Jacob Trip,
die veel aan het huis heeft laten veranderen: alle trapgevels werden opgeruimd.
Zijn vrouw Agatha Maria Pancras hertrouwde toen zij in 1729
weduwe geworden was, met mr. Pieter Rendorp van Marquette. Dit
echtpaar vond een nieuwe bewoner voor Adrichem in de persoon van mr.
Jonas Witsen, die het in 1736 van hen overnam.
De nieuwe eigenaar had ruim 30 jaar plezier van zijn kasteel. Zijn vrouw
Alberta Maria Pels blijkbaar minder, want toen haar man dood was, verkocht
zij het slot op 20 augustus 1770 aan George Clifford, wiens dochter
Hester Clifford trouwde met mr. Gijsbert Karel van Hogendorp. Toen de
Engelsen en Russen bij Bergen landden in 1799 nam hij zich voor onmiddellijk 
met de Engelse bevelhebber contact op te nemen, maar voor het zover
was, kreeg hij de dringende raad Adrichem te verlaten en zich naar
Amsterdam te begeven. Zijn vrouw en kinderen had hij in Krommenie
ondergebracht.
Toen het hem niet gelukte om Adrichem in 1805 te verkopen, bleef hij het
huis bewonen. Daar woonde hij nog in 1808, maar het volgende jaar vestigde
hij zich in Den Haag, waar hij in 1834 overleed.
Over het algemeen is het moeilijk om enig idee te krijgen van het interieur
van verdwenen kastelen. Ten aanzien van Adrichem hebben we het geluk
dat we beschikken over een tamelijk nauwkeurige beschrijving, die gegeven
wordt in verband met de aangekondigde veiling (20 september 1805)
van de 'onderschrevene capitale heerlijke huisinge Adrichem'.
Dit is een 'heerenhuijsinge met een zeer wel geordonneerde Facade vercierd
gelegen in een cirkel - ronde vijver, waarvoor een Basse-tour geplaatst
is'. Als we het huis binnengaan, komen we eerst in 'een royale vestibule
en wederzijds portaalen, met marmer bevloerd en beplint, de zijmuren
met Ionische pilasters en de zoldering bestucadoord'. In het midden
van deze vestibule bevindt zich de ingang naar een 'precieuse zaal, met een
Gladhoute Vloer ingelegd en van boven Geplaffonneert; mitsgaders
rondsom met Corintische Gecannaluurde Pylasters en stuc verciert. Verders
voorzien van kostbaare spiegels in gesneede lijsten, alsmede de Deuren
met Gebeeldhouwde Architraven, en de Dessusportes, zijn fraije Onixen
door den beroemden Kunstschilder van Drecht'.
Aan de linkerzijde van deze 'precieuse' zaal ligt 'een Capitaale kamer'. In de
wanden bevinden zich hier 'vakken met Oost-Indische zijdestof. Ook is
er een Engelsche schoorsteen met een blauwe marmeren mantel, ingelegd
met wit-marmeren ornamenten, tevens kostbare spiegels.
De daarnaast aan de linkerzijde gelegen eetkamer is versierd met 'tropheŽn,
zinspelende op de vier jaargetijden des jaars, de jacht en visscherij.
Bovendien is daar een Engelsche schoorsteen met blauw marmeren mantel'. 
Ter zijde hiervan gaat men de eetkamer in, die weer in verbinding
staat met de bibliotheek die 'van boven coepelsgewijze gestucadoord is'.
Ook daar bevindt zich 'een Engelse schoorsteen met een zwart en geel geaderde
marmeren mantel'. Boven de deuren 'groepen kindertjes in grauw geschilderd 
door den kunstschilder van Drecht'.
Achter de genoemde zaal, de twee kamers en de bibliotheek - die zich alle
aan de achterzijde bevinden - is een groot balkon met een 'cierlijke sieren
balustrade'. Verder bevinden zich hier nog een logeerkamer, een kabinet
en een portaal.
We zouden zo door kunnen gaan, maar noemen verder slechts 'de extra
grote keuken met turfhok en secreet' en de provisiekelders. Vermeld dienen
verder te worden de kamers voor het personeel. Op de bovenverdiepingen 
zijn er nog logeerkamers.
Aandacht in de keuken verdienen 'de Rumphordse en andere Fournuizen,
Rumphordse bakovens; een waterketel, vaatwashok, regen- en
putwaterspompen, turfhok' etc.
Een waardig verblijf voor Gijsbert Karel graaf van Hogendorp! Toch was
er geen koper te vinden, zodat de graaf besloot er te blijven wonen. In 1808
werden delen van het landbezit door hem verkocht, doch hem bleven toen
nog toebehoren: 'Capitaale Appelen, Peeren- en Karssen boomgaarden en
een extra groote moes- en broeituin met een annanasse-bak, diverse persike,
abricosen en druivenkassen een menagerie, goudviskom en vijvers,
Engelse plantsoenen met inlandsche en vreemde gewassen, grasparterres
en slingerlanen'.
De vraag door wie en wanneer het kasteel Adrichem gesloopt is, de heer 
Fox weten op te lossen. De sloop vond plaats in de jaren
1809-1812 op basis van een contract tussen Gijsbert Karel graaf van Hogendorp
enerzijds en Christiaan Stumphius (makelaar te Beverwijk) gesloten
op 'den huize van Adrichem te Wijk aan Duin' op 28 september
1809. Hieruit blijkt dat van Hogendorp bij zijn vertrek naar Den Haag opdracht
tot sloping heeft gegeven.
Uit 'het kapitaalboek' (ca. 1827) aanwezig in het familiearchief van Hogendorp
blijkt dat de gronden hem nog voor het grootste deel (geheel?)
toebehoorden. Ook 'de huismanswoning met stalling etc. genaamd Adrichem'
gelegen in de Wijkerbroek 'belend ten Zuidoosten van de vijver van '
het gewezene heerenhuis' was toen nog in zijn bezit. Deze moet echter tussen
1825-1834 verkocht zijn.
De terreinen waarop Adrichem gestaan heeft, kan men nu nog aanwijzen.
Zij bevinden zich aan de Sint Aagtendijk (nu Puinweg). De Adrichemlaan
leidt naar de boerderij van die naam, die nu het centrum is van een uitgebreid
caravanterrein. Deze staat echter niet op de plaats van het oude kasteel.

Bron Middeleeuwse kastelen van noord holland . van Groesbeek

© Het Hollandse Kastelenteam 2011 - alle rechten  voorbehouden