Startpagina

1 omhoog

Foto's

Plattegrond

Auteursrechten

 

 

 

Burcht te Oostvoorne

 

In de dorpskom van Oostvoorne liggen - achter het raadhuis, op een opgeworpen heuvel (motte) - de resten van de 12 de- of 13de-eeuwse burcht van de heren van Oostvoorne. Deze restanten van de in 1552 grotendeels afgebroken burcht zijn in 1934 ontgraven en vanaf 1958  opgemetseld om verder verval tegen te gaan. 
De overblijfselen bestaan uit een veelhoekig ringmuur met in het midden van het binnenplein de grondslagen van een zware vierkante donjon met een halfronde traptoren. In de muur vindt men nog de onderbouw van een vierkante poorttoren, een vierkante muurtoren en daartussen drie halfronde uitstekende torens, alles van baksteen opgetrokken. 

Door wie en wanneer het oudste gedeelte van de burcht, de donjon op de heuvel, is gebouwd, weten we niet. Mogelijk is Hugo van Voorne, die vermeld wordt van 1198-1213, de bouwheer, of zijn broer Dirk, getrouwd met Alverade van Kuik, en vermeld van 1216 - 1228. 
Met de dood van Machteld van Voorne, burggravin van Zeeland in 1372, stierf het geslacht van de eerste heren van Voorne uit en verviel de heerlijkheid aan hertog Albrecht van Beieren, als graaf van Holland en Zeeland. 
Al een jaar na de dood van Machteld brachten Albrecht en zijn vrouw een langdurig bezoek aan de burcht van Oostvoorne. 
Vooraf moest de woonruimte in orde gemaakt worden. Men zorgde voor levensmiddelen en brandstof; voor de bedsteden werden 300 schoven stro besteld en Salomon Cupemaker te Brielle kreeg opdracht ‘voer enen grote nyewe badecupe van "yewen houte.’ 
In 1393 gaf hertog Albrecht de heerlijkheid Voorne aan zijn zoon Jan. De burcht verkeerde toen in vrij vervallen staat. Jan van Beieren stief in 1425 en Voorne kwam toen aan zijn weduwe Elisabeth Goirlitz. Zij stelde Frank van Borselen aan als Ruuwaard. Jacoba van Beieren werd in 1433 door hertog Philips van Bourgondië met Voorne beleend. Ze huwde In 1434 met Frank van Borselen en beiden traden nu als heer en vrouwe van Voorne op. Twee jaar later stierf Jacoba op slot Teylingen en Frank werd als heer van Voorne gehuldigd. Hij stierf in 1470 te Brielle zonder wettige nakomelingen. Hierdoor viel de heerlijkheid opnieuw terug aan de graven van Holland en Zeeland, zodat toen Karel de Stoute van Bourgondië heer van Voorne werd. 

Frank van Borselen, die vele jaren ziek op het hof te Brielle had vertoefd, had na 1460 weinig aandacht meer geschonken aan de burcht; ook Karel de Stoute verbleef er niet. Hii sneuvelde in 1477 bij Nancy. 
De heerlijkheid kwam in het bezit van zijn weduwe, Margaretha van York. Zij liet voor een aanzienlijk bedrag reparaties verrichten. maar dat bleek allerminst voldoende. want ook hierna stond de hof op instorten. 

Na haar dood in 1503 bleven de gebouwen onbewoond. Karel V, die nu als heer van Voorne optrad, stelde een kastelein aan om hof en burcht te beheren. 
In 1527 werd een gedeelte van de voorhof afgebroken.  De oude hoofdburcht met de grote donjon binnen de gracht stond echter nog overeind. 

Een van de oorlogen die Karel V en zijn oom Philips II tegen Hendrik ll, de Koning van Frankrijk, voerden, werd de burcht echter noodlottig. Omdat men vreesde dat de Fransen de donjon en de kerktoren van Oostvoorne als baken zouden kunnen gebruiken bij een landing uit zee, werden beide in 1552 afgebroken voor ‘zover ze boven het geboomte uitstaken. Tenslotte waren bijna alle bovengrondse resten van de burcht van Oostvoorne verdwenen, tot ze in 1934 weer werden ontgraven. 

Onder de motte van Oostvoorne ligt een duin van ongeveer 7 m hoog. Hierin is de donjon gefundeerd, waarna de heuvel met klei is opgehoogd. Nadat de eerste weermuur al gebouwd was, is de motte later nogmaals verhoogd. De bijna cirkelvormige heuvel, die thans weer is omgeven door een gracht, heeft aan de voet een middellijn van circa 69 m en een hoogte van 10 m. 
Het binnenplein op de top heeft een grootste doorsnede van ongeveer 42 m. Aangezien bij de bouw van de burcht alleen baksteen is gebruikt, kan de eerste bouwfase tegen het einde van de 12de of het begin van de 13de eeuw liggen. 
De donjon werd het eerst opgetrokken. Hij heeft een buitenwerks grondplan van 12,60 m in het vierkant en moren van 2,60 m dik. Slechts de benedenhelft van de onderste, gedeeltelijk ondergrondse verdieping is hievan overgebleven. 
Gezien de twee uitmondingen van de toiletten is hij niet hoger geweest dan twee verdiepingen boven de overwelfde onderbouw. Voor de donjon staan de overblijfselen van een halfronde traptoren van later datum. 
Een dunne muur loopt van deze traptoren in noordelijke richting; deze heeft waarschijnlijk eens de trap gesteund die naar de ingang van de donjon. op de eerste verdieping, liep. 
Mogelijk werd na de tweede ophoging de ingang naar het souterrain en de traptoren gebouwd. In de zuidwestelijke hoek van de donjon ligt een verdiept keldertje met kleine lampnisjes, dat oorspronkelijk door een koepelgewelf gedekt is geweest. De aanzetten van dit gewelf zijn nog aanwezig. Via een wenteltrap in de dikte van de muur kon men vanuit de kelder de andere verdiepingen bereiken. Aanvankelijk bestond de bescherming van de donjon uit een houten palissade. Deze is echter al snel vervangen door een 90 cm dikke ringmuur, waarvan alleen naast de uitvalspoort aan de oostzijde nog resten bewaard zijn gebleven. Deze ringmuur werd op zijn beurt weer door een nieuwe vervangen. De muurdikte hiervan bedroeg 60-90 cm en hij had een hoefijzervormige toren aan de noordkant. Ook werd er een indrukwekkende ingangspartij gebouwd, die bestond uit een zware vierkante toren en daarvoor een poort, een zogeheten barbikane, die vanuit het water van de gracht oprees. Hierna werd tegen de ringmuur een weergang gebouwd van ongeveer 3 m breedte, op bogen die op pijlers rustten op ongelijke afstanden van elkaar en verschillend van lengte en zwaarte. Een vierkante toren aan de oostzijde deelde de weergang in tweeën. De zuidelijke helft was alleen te bereiken via een trap voor de vierkante oosttoren, de noordelijke helft via een trap naast de poorttoren en over een kleine valbrug vanuit de toren. Nog iets later werden de beide halfronde torens die in het zuiden uitspringen, opgetrokken. In de grote storm op St. Jansavond 1474 werd veel schade aangericht, o.a. aan de ringmuur: ‘twee stucken muers die omme gewayl waeren van den vorscreven groten storme.’ 

De poorttoren aan de westzijde was in het talud van de heuvel gebouwd, met trappen naar boven. de heuvel op, en naar beneden, naar de houten brug die over gemetselde pijlers in de gracht de verbinding met de voorhof vormde. De benedenruimte van het poortgebouw was overdekt met een stevig tongewelf. Zowel de kap van de donjon als die van de poorttoren waren met riet gedekt. Daar nestelende kraaien echter schade aan deze dakbedekking veroorzaakten, legde men er in 1373 uit tenen gevlochten matten op. In 1300 bracht men weer veranderingen aan: ‘Item ghegheven van den groten torne die gedect was met riede te ondecken ende dat ende latten wech te doen.’ De kap werd afgebroken en er werd een nieuw houten kap gemaakt, gedekt met  leien. Dat zelfde gebeurde bij de ook met riet gedekte poorttoren. Voor beide gebruikte men 16 000 leien. De torenspitsen zijn waarschijnlijk ongeveer 7 m hoog geweest.

Tegen over de poorttoren stond aan de andere kant van de gracht de poort van een muur die de voorhof heeft omgeven. Ook van deze voorhof, waar de bewoners gewoonlijk resideerden, kunnen wij ons door de vele rekeningen die bewaard zijn gebleven een goed beeld vormen. Het bouwjaar is niet bekend, maar de hof wordt reeds in een rekening van 1373 genoemd. De nu geheel verdwenen voorhof bezat als belangrijkste gebouw de zaal. Deze bestond uit een kelder met een tussenmuur, met daarboven de eigenlijke zaalruimte. Het gebouw was afgedekt door een zadeldak. In 1398 bouwde men twee kleine torentjes ‘beside an de zael.’ Het gebouw was voorzien van kantelen en had in een van de gevels een groot rond raam. Dan waren er een grote kamer, die als woon- en werkvertrek van de heren en vrouwen van Voorne diende. en de zg. Arkelse kamer, waarschijnlijk genoemd naar Jan van Arkel die vanaf 1393 rentmeester van het land van Voorne was. Ook bevond zich hier een zes- of achtkantige traptoren met een diameter van circa 7 m, die een wenteltrap bevatte. Priester Adriaen Taerling schrijft: ‘ten tyde myns vertreks uit Oostvoorne anno 1572 stond aldaer op ‘t buytenhoff noch een toeren. hebbende veel deuren, daermede men plach te gaen in de cameren ende saelen aldaar, buyten den grooten burch staende.’ Ook waren er. nog de keuken, het bakhuis, het melkhuis, het lardier (vleeshuis), de taelgerije (kleermakerswerkplaats), de waerderobe (ruim-te voor kleding), de cruutcamer (voor specerijen), de bereitkamer (wapen (kamer), de schuttekamer voor de wacht en het contoir, genoemd na 1472, waarschijnlijk een tot kantoor ingerichte kapel. Voorts waren er de bedrijfsgebouwen: de boerderij, het dorshuis, het slachthuis, de brouwerij, de stallen, het turfhuis en de smederij. En natuurlijk was er ook de gevangenis. Het is echter niet geheel duidelijk waar deze zich bevond, waarschijnlijk echter in de donjon. De toestand van deze ruimte was slecht, want men maakte ‘2 grote tralyen in de splete van de faulten (gewelf) daer die gevangenen uut braken.’ De gevangenis was in 1527 nog in gebruik.

Bronvermelding

- Krantenartikel 15 september 1934.

- N.R.C. 24 november 1940 & 27 oktober 1941.

- Boekje N.K.S.

- Archeologisch reisboek, blz. 234 - 235.

- krantenartikel nieuwe brug november 1987.

- Map diverse onder Renaud

AFBEELDINGEN

- Diverse.

- P. Alles dia’s 1986.

 

© Het Hollandse Kastelenteam 2011 - alle rechten  voorbehouden