Startpagina

1 omhoog

Ligging kasteel

Plattegrond

Auteursrechten

Email kontakt

 

 

Dwangburcht de Nieuwburch.

 



‘Ooc dede hi (Floris V) maken scene ghewarke bi Vronen op de harde geest de Nuweburch, dair doe was meest der Vresen macht op dat ende’

Dat is het wat Melis Stoke, de kroniekschrijver uit het begin van de 14’ eeuw, ons weet te vertellen over het ontstaan van de Nijenburg, dat zou hebben plaatsgevonden in 1282. De Nijenburg was een van de door graaf Floris V gebouwde kastelen. De vraag rijst of graaf Floris V en ook diens vader graaf Willem 11 inderdaad gezien moeten worden als stichters van een nieuw fortificatie systeem in de omgeving van Alkmaar, ter bescherming van Kennemerland tegen de WestFriezen.

Over het doel van de kastelenbouw zijn we het wel eens, maar was het fortificatie systeem inderdaad nieuw ? Een paar maal klinkt in de namen van de burchten, die door Floris gesticht zijn, de klank door van nieuw!

De Nijeburg betekent ‘de nieuwe burcht’ en ook in de naam Nieuwendoorn vindt men het woord nieuw. Het zijn inderdaad nieuwe stichtingen. Maar nu staat ‘nieuw’ tegenover ‘oud‘.

Er zou dus ook een ‘oude burcht’ en een ‘oude Doorn’ geweest moeten zijn. Inderdaad vinden we een ‘Oudeburg’ zowel bij Heiloo als bij Bergen.  Een ‘Oude Doorn’ werd niet gevonden.
Een en ander bewijst o.i. dat er reeds vestigingen bestonden ter verdeging tegen de West Friezen vóórdat de graven Willem 11 en Floris V hun activiteiten gingen ontplooien.
In 1204 werden er in de Loonse oorlog zelfs kastelen verwoest. De activiteiten van beide graven moeten gezien worden als een geslaagde poging om de adel te bewegen zijn bestaande kastelen te moderniseren en het aantal uit te breiden met door de graaf op eigen kosten gebouwde burchten.

Renaud ontdekte bij de Nijenburg in het muurwerk veel oudere bakstenen, zogenaamde kloostermoppen van 30 x 15 x 8 cm. Zij waren echter secundair verwerkt, d. w.z. dat zij eerder gebruikt waren vóór zij in de Nijenburg gemetseld werden. De vraag rijst: lag dit oudere bouwwerk op dezelfde plek of zijn de afgebikte en netjes schoongemaakte stenen van elders aangevoerd? Van vernietiging van de Nijenburg door de West Friezen (1296) horen we niets, de secundair verwerkte stenen (waarbij zelfs tufsteen) moeten afkomstig zijn van een ouder huis / kasteel.

Nu nog iets over de burcht zelf. Zoals gewoonlijk moeten we hierbij weer varen op het kompas van de kastelenarcheoloog Renaud, die in 1970 met de opgraving kon beginnen toen de onwillige eigenaars hun bezit hadden moeten overdragen aan de gemeente Alkmaar, die een weg projecteerde dwars door het ruïnecomplex. Een proefopgraving bracht al direct de vier hoekpunten van de voorburcht aan het licht (december 1970). Het jaar daarop ging men verder: het kasteel was vrijwel vierkant, met als maat 25 bij 25 meter. De voorburcht was onregelmatiger van aanleg. Om het geheel liep een gracht, die door een aarden wal gescheiden was van een tweede gracht. Een nu niet meer bestaande weg liep naar de Munnikenweg. Een oude zandrug maakte zware fündering niet nodig. Op de aarden wal, de singel, was een doornhaag aangelegd. Verrassend was de vondst van bakstenen van 30 x 15 x 8, maar deze waren zoals reeds is opgemerkt, secundair gebruikt. De hoofdburcht leverde geen gegevens op over de woonruimte, de binnenmuren waren geheel weggebroken. Aan de oostzijde bevindt zich een zware vierkante toren; daartegenover, aan de westzijde, een tweede toren waarin de poort gesitueerd was. De toren aan de oostzijde heeft als maten 9 meter in het vierkant en de muren zijn meer dan twee meter dik. Dat was de hoofdtoren (de donjon) van het gebouw. Ook hier werden steunberen voor de weergang aangetroffen. Op de zuidmuur vond men een uitbouw, die als privaat (‘heijmelicheijt’) gediend moet hebben. De weergang ontbreekt aan de noordzijde, zodat we vermoeden dat de woonruimten zich daar bevonden. Buiten de noordmuur heeft een aanbouw gelegen die op het einde van de 14’ of begin 15’ eeuw gebouwd moet zijn. Nu de archeologie het af moet laten weten ten aanzien van het woongedeelte, zijn we blij dat wij uit archivalische bron weten, welke ruimten aanwezig waren. Op 29 januari 1391 moest heer Bruijsten van Herwijnen, kennelijk de toenmalige castelein, het slot verlaten en overdragen aan zijn opvolger Sijmon Vrederic. Dat gebeurde niet zonder dat er een officiële inventaris was opgemaakt van de aanwezige goederen. De akte is te uitvoerig om geheel te worden overgenomen. We beperken ons tot de opgave van de vertrekken waar de goederen zich bevonden. ‘in t bachuijs in de sasele in der coken op die Grote Camer in die waerderoep (garderobe) op die poorthuijs toerne op die houten camer in die camer daaronder in ‘t Hemehijc in die clerckecamer in die camer daemaest’ Bepaald geen kasteel om in te verdwalen. We beloofden terug te komen op ‘de Vobus (phebustoren)‘, een naam die al in de middeleeuwen aan een van de torens verbonden was. De sage verhaalt namelijk dat een zeker Phebus ofJobus, burgemeester van de legendarische stad Vromen, verraad zou hebben gepleegd. Hij reisde van Vronen naar de Nijenburg en verbond zich om voor een som gelds ‘s nachts de poort van Vronen voor de Hollanders te openen. Dit zou gebeurd zijn op 13 maart 1303. Toen de stad door dit verraad gevallen was, moesten de verraders tesamen met graaf Jan de ruimtes gaan bezichtigen. Hoewel Phebus bij het zien ervan in tranen uitgebarsten was, werd hij op de Nijenburg gevangen gezet en onder een toren levend begraven. Deze toren heette later Phebustoren. De Alkmaarse burgemeester heeft in 1557 de kop van het geraamte, naar zijn zeggen, zelf in handen gehad. Belonje, die dit verhaal uitvoerig beschrijft, haalt ook een parallel aan: hetzelfde zou gebeurd zijn bij de Meursche toren te Didam. Geen enkele geschiedschrijver maakt van deze gebeurtenis melding. Een stad Vronen heeft nooit bestaan en de Friezen die ter plaatse woonden, zijn pas na felle gevechten ten ondergebracht. Vronen was een landstreek met een dorpje gelegen ten noorden van Alkmaar. We vinden bij de Utrechtse historieschrijver Amoud van Buchell, die in 1591 een wandeling maakte van Oudorp naar Alkmaar, het verhaal terug. Op zijn wandeling zag hij de ruïnes van het kasteel de Nijenburg en dat inspireerde hem tot het doen van zijn verhaal. Hij noemt de verrader ‘Foppo, consul Veronensis’, een naam die wat aanvaardbaarder lijkt dan ‘Phebus’ of ‘Joppis’. Ook Boomkamp, de Alkmaarse historieschrijver, bezocht kort voor 1741 de ruïne. Hij zag ‘twee gescheiden overblijfsels’: a) een klein brok muur, 28 voeten lang en 3 voetendik b) ten westen hiervan een toren van 22 voeten vierkant met een muurfundering eraan ter lengte van 40 voeten. Beide complexen lagen 4 roeden uit elkaar en de bakstenen waren 2 duimen dik en 1 voet lang. Tot slot nog iets over de voorburcht. Deze meet 40 bij 42 meter. Op de beide noordelijke hoeken bevonden zich twee ronde torens, die aan de binnenzijde open waren. Midden in de noordelijke muur springt een vierkante toren naar buiten. Ook de zuidelijk muur moet wel twee ronde open hoektorens gehad hebben. Het muurwerk van de voorburcht is niet zwaar, slechts een meter dik. De verbinding tussen de voorburcht en het hoofdgebouw wijkt af van het normale patroon. Dit was voor Renaud wel een uitdaging, maar de grondsporen lieten hem in de steek. Een groot aantal vondsten werd gedaan, waarvan de meeste pas dateren uit het eind van de 14e eeuw en daarna. Wat gaat er nu met het terrein gebeuren? Het ligt er nog zoals het door de opgravers was achtergelaten.

Bronvermeldig

- Alkmaarsjaarboek 1971, Prof. J.G.N. Renaud, blz. 51 66. --

NoordHollandsdagblad 28 september 1971.

- Artikel juni 1978.

- Alkmaarse courant 13 november 1973.

- Archeologisch reisboek (zie ook nr. 10 & 13) blz.  200 -  207

- Middeleeuwse kastelen van Nederland, P.E. van Reijen, blz. 82 -86-87-89-94-149.
- middeleeuwse kastelen van noord holland van Groesbeek.

 

 

 

© Het Hollandse Kastelenteam 2011 - alle rechten  voorbehouden