Startpagina

1 omhoog

Oude prenten

Foto's

Plattegrond

Auteursrechten

Email kontakt

 

het Huis te Heemskerk of Kasteel Marquette

 



Een van de vele raadsels rond het ontstaan van onze kastelen is vooral Marquette.  Wanneer en door wie werd dit slot gebouwd, en om welke reden? 
Marquette zou volgens de historici gesticht zijn door graaf Willem 11 (ca. 1252) en deel uitmaken van een keten kastelen, bedoeld als afweer tegen de invallen van de West-Friezen. Graaf Willem ll zou hier een zekere heer Gerard, ridder, aangesteld hebben als castelein (slotbewaarder) op een salaris van 300 pond perjaar.
Heer Gerard’s zoon(?), heer Arnoud, wordt altijd met de naam ‘van Heemskerk’ aangeduid en moet dus daar thuis horen. Merkwaardigerwijs komt hij in de akten voor als castelein van de Torenburch bij Alkmaar en niet als slotbewaarder van Heemskerk! Het blijkt zelfs dat Marquette in eigendom toebehoorde aan de Van Heemskerken. In 1300 droegen zij dit eigen bezit aan graaf Jan van Holland op om het voortaan van de graven in leen te houden. Het verhaal van het casteleinschap
boet hiermee wel veel in van zijn geloofwaardigheid. We kunnen rustig zeggen dat we hier niets van geloven. Marquette was het agrarisch middelpunt van een uitgestrekt grondbezit. De eigenaars (later leenmannen) bezaten over het ambacht Heemskerk geen bestuursgezag of rechtspraak. Wel wisten zij zich grote stukken vrijwel onbewoonde en woeste duingebieden te verwerven en daarover een zeker gezag uit te oefenen, dat meer lag op het gebied van de houtvesterij, maar heren van Heemskerk waren zij niet. Deze titel bleef voorbehouden aan de bezitters van het kasteel Oud Haerlem. Wie was heer Gerrit die als oudste Van Heemskerk genoemd wordt? We komen hem alleen maar in de kronieken tegen, in geen enkele oorkonde komt hij onder die naam voor. Misschien leefde hij nog toen Arnoud
van Heemskerk castelein van de Torenburch werd! Anderzijds is het bijna niet aan te nemen dat de slotheer
van Heemskerk nooit in oorkonden vermeld zou zijn; wellicht onder een andere naam? De traditie wijst ons naar het adellijke geslacht Van Naaldwijk, dat op zijn beurt weer uit de Van Voorne’s stamde.
Misschien mag ook gedacht worden aan een afstamming uit de Van Teijlingens. Tweemaal (in 1223 en 1227) komen we in de oorkonden een Gerard van
Teijlingen tegen, waarschijnlijk een jongere broer van Willem heer van Teijlingen en Dirk heer van Brederode. Deze Gerard zou identiek kunnen zijn met Gerard de eerste eigenaar (en stichter?) van het slot Marquette. Laatstgenoemde was tevens baljuw van Kennemerland en is misschien samen met graaf Willem 11 in West Friesland (1255) gesneuveld.
Dit zou verklaren waarom zijn opvolger Amoud van Heemskerk in 1254 en 1256 nog als castelein van Torenburch voorkomt, maar daarna niet meer. Hij kan zijn vader op Marquette opgevolgd zijn. U moet dit maar zien als losse gedachten over een mogelijke. Afstamming van de oudste Van Heemskerk. We voegen er nog aan toe, dat de oudste Gerard van Heemskerk getrouwd geweest kan zijn met een dochter uit het geslacht Van Heusden. Dat zou de voornaam Amoud die aan de
tweede Van Heemskerk gegeven werd, kunnen verklaren, want de voornaam Amoud komt voor bij de Van Heusden’s.Uit een en ander blijkt in ieder geval dat de stamvader uit de hoogste adellijke kringen van Holland afkomstig is.
De kronieken maken melding van de familie Van Heemskerk. Zij vertellen ons (vrij uit het Latijn vertaald): ‘Nota dat Arnoldus de eerste ridder van Heemskerk, vader van Gerardus (Gerrit) 1290.
Deze Amoldus verwekte Gerardus de Heemskerke senior en zijn broer Henricus, (eveneens) ridder. Deze Gerardus verwekte Gerardus, ridder junior.
Deze Gerardus verwekte Walterus de Heemskerk, ridder. En deze Walterus stierf zonder kinderen en zijn goederen zijn aan de graven gekomen’.
Dat is nog eens geschiedenis in een notedop! Mogen wij een paar kanttekeningen plaatsen bij dit verhaal?
Heer Amoud moet heel lang geleefd hebben, want we ontmoeten hem van 1254-1290. We zien echter geen enkele reden om .deze
figuur in twee personen te splitsen, zodat er twee Arnouds ontstaan, zoals o.a. Prof. S. Muller heeft voorgesteld: de castelein van Torenburch zou een andere Arnoud
geweest zijn dan de latere, die nooit castelein genoemd wordt. Deze moeilijkheid is, zoals wij zagen, gemakkelijk op de lossen door ervan  uit te gaan dat Arnoud op de Torenburch verbleef zolang zijn vader (Gerard?) leefde.
Een broer van heer Arnoud kan geweest zijn Hugo van Heemskerk, die in 1266 genoemd wordt en gegoed was in Schieland. Na 1290 komt heer Arnoud niet meer voor. Zijn oudste zoon Gerrit bewoonde Marquette en werd in 1300 leenman van Holland. Het voornaamste dat we van hem weten is, dat hij driemaal getrouwd geweest is, en dat zijn derde vrouw Beatrix van Haarlem heette (1312),
zodat de bewoners van Marquette en Oud Haerlem nauw aan elkaar verwant waren. Door dit huwelijk raakte heer Gerrit betrokken bij alle kwesties over de
nalatenschap van Jan van Bergen, de laatste Van Haarlem, die Oud Haerlem bezat. Deze heer Gerrit komt in oorkonden voor van 1292-1333.
Zijn zoon, eveneens Gerrit geheten, was baljuw van Amstelland (1338) en van Rijnland (1347). Als aanzienlijk edelman werd hij naar Engeland gezonden
met een commissie die het huwelijk moest voorbereiden van graaf Willem V met Maria van Lancaster. Ook in de binnenlandse politiek was
hij actief als een van de aanvoerders van de Kabeljauwse partij. Een succes was het voor hem dat hij de hoofdman van de Hoeken, heer Dirk van Brederode,
in handen wist te krijgen en in Marquette op te sluiten. Tegen betaling van een fors losgeld moest heer Dirk zijn vrijheid terugkopen (27juli
1354). Niet lang daarna moet heer Gerrit overleden zijn.
Zijn zoon Wouter van Heemskerk stond blijkbaar niet erg bij de graaf in de gunst, want hij werd niet meteen na de dood van zijn vader met Marquette
beleend. Een zekere Simon Haghen werd als slotbewaarder door de graaf aangesteld op een salaris van 200 pond per jaar en dienstkleding. (4
juli 1355). Dit casteleinschap werd in het jaar daarop al weer beëindigd toen toch de belening van Wouter van Heemskerk plaatsvond.
Toen graaf Willem V krankzinnig werd en zijn broer hertog Albrecht als ruwaard (plaatsvervanger) optrad, stelde deze de Hoeksgezin Reinoud van Brederode aan als baljuw van Kennemerland. Dit was teveel voor de Kabeljauw Wouter van Heemskerk en de zijnen. Zij pleegden een aanslag op Reinoud in de duinen bij Castricum (1358). Door de vlucht redde Reinoud zijn leven ternauwernood. Dit gebeuren was een onvergefelijke aanslag op het gezag van hertog Albrecht, die hierdoor de kans kreeg zich van zijn Kabeljauwse tegenstander te ontdoen. De vrouw, die hertog Albrecht later wist te bewegen om partij te kiezen voor de Kabeljauwen,
was toen nog niet (jammer voor heer Wouter) aan het hof verschenen! Op bevel van de hertog werd Marquette belegerd. Uiteindelijk moest de
bezetting zich overgeven. Deze capitulatie werd bij verdrag geregeld (24 maart 1359). Heer Wouter en zijn vrouw bedongen vrije aftocht voor henzelfen
hun meubeltjes. Achter moesten blijven het proviand, het zout(!) en al wat dienstbaar was voor de verdediging van het slot. Heer Wouter moest zich ter beschikking stellen van de hertog totdat deze uitspraak zou hebben gedaan over zijn misdaden. Een boete van 7000 schilden verzachtte de pijn die heer Wouter’s misdaad aan hertog Albrecht veroorzaakt had. Ogenschijnlijk was de vrede weer hersteld en heer Wouter deed weer dienst als Raad van de hertog, maar hij viel opnieuw in ongenade en moest zich weer in gijzeling naar Zierikzee begeven. Daar beloofde hij niemand op Marquette te zullen toelaten, dan degene die daartoe uitdrukkelijk
verlof gekregen had en ‘zijn dagelijx huusgesinde’ (18 juli 1378). Pas een jaar later werd hij weer in genade aangenomen. Een forse fìnanciële
aderlating zal de weg naar de verzoening wel geopend hebben (8 juli 1379). Al die ‘misdaden’ en ‘zoenen’ hadden zijn gezondheid een dusdanige knauw gegeven, dat hij op 10 maart 1380 het tijdelijke met het eeuwige verwisselde. Daar hij geen wettige kinderen, broers ofzusters, naliet, verviel
zijn nalatenschap aan hertog Albrecht, tenminste in theorie. De hertog kreeg niet de vrije beschikking over Marquette, want toen Wouters grootvader in 1300 leenman van de graaf werd, had deze bedongen, dat de burcht altijd in handen moest blijven van een lid van het geslacht Van Heemskerk. Hertog Albrecht aarzelde lang met het nemen van een beslissing. Het liefst had hij de burcht voor zichzelf behouden. Op Marquette had hij een castelein aangesteld: Protwitz Sadelboger, een Beiers edelman (1392-1395). Daarna wist de eer- en heerszuchtige Floris van Alkemade het casteleinschap voor zich te verkrijgen.
Toen Protwitz het  slot verliet, droeg hij aan zijn opvolger Floris over ‘dusent pilen, drie donrebussen, twee orsmolensteene, twie quarnstiene ende twee bacoeven’.
Fel verzette heer Floris zich tegen de overdracht aan Gerrit van Heemskerk heer Herbarenszoon, zoals dat door hertog Albrecht op 5 november 1398
bepaald was. Gerrit behoorde tot een zijtak van de familie van heer Wouter, en was de uitverkorene van hertog Albrecht om het kasteel Marquette in leen te krijgen
(zoals bij het contract van 1300 bepaald was).
De overdracht werd echter gegoten in de vorm van een koop. Het is duidelijk dat hertog Albrecht zich feitelijk niet aan het contract van 1300 gehouden
heeft, want dat ging van de veronderstelling uit dat er steeds een van Heemskerk met het slot beleend zou worden. Als leenman moest de opvolger een ‘heergewade’ betalen, een symbolische ‘betaling’ voor de overgang van het leen. Het was dus volkomen ten onrechte dat de hertog
zijn nieuwe leenman een forse koopsom liet betalen.
De koop vond plaats onder voorwaarde dat heer Gerrit de hertog met 200 gewapenden te Stavoren voor de periode van 15 november 1398 tot 1 mei
1399 toe zou dienen en dat ‘op sijn selfs tost’. Heer Gerrit mocht dit legertje  uit eigen zak betalen. Hij moest Stavoren daarmee bezet houden ‘up sinen anxte tot onser oerbaer’, d.w.z. op eigen risico maar in het belang van de hertog. Alsof dat nog niet genoeg was, moest heer Gerrit ook nog eens 2000 nieuwe Gelderse guldens als koopsom betalen.
Door zijn krachtdadig verzet tegen deze verkoop wist heer Floris van Alkemade te bereiken dat hij zijn ambtstermijn als casteleinzou mogen uitdienen.
Daar hij wel geld geleend zal hebben voor het verkrijgen van zijn functie, kon de hertog hem niet zo maar wegsturen. Toen de koopsom al  een week na de verkoopdatum door heer Gerrit betaald was, eiste deze levering. Deze kon echter niet plaatsvinden daar heer Floris nog steeds in het
bezit van het slot was. Dat leidde er weer toe, dat de hertog aan heer Gerrit moest beloven, 100 Engelse nobelen jaarlijks te betalen, totdat de ambtstermijn van heer Floris verstreken was. Een nogal onverkwikkelijke gang van zaken. Voor heer Gerrit dreigde verder nog het gevaar dat na de dood
van hertog Albrecht diens zoon (en vijand!) graaf Willem VI zijn nieuw verworven bezit weer zou confisqueren. Het was dus zaak om bijvoorbaat de goedkeuring van de graaf in spé te verkrijgen. Deze toonde hiertoe maar weinig bereidheid, haatdragend als hij was tegen de vrienden van zijn vader. Eindelijk stemde hij toe onder voorwaarde dat hij de koop binnen een jaar na de dood van zijn vader weer ongedaan mocht maken, tegen terugbetaling van de koopsom. Ook dit probleem was hiermee geregeld, maar niet de kwestie met heer Floris van Alkemade. Deze ontzag zich niet, zijn mededinger heer Gerrit te lijf te gaan, zodat deze zelfs gewond werd. Dit kon hertog Albrecht niet tolereren. Anderzijds wilde hij ook niet zelf optreden, waarschijnlijk had heer Floris zijn grafelijke meester danig in de
houdgreep, financieel gesproken. Arbiters werden benoemd om het geschil(!) over de ‘kwetsing’ te regelen. Zij deden uitspraak: heer Floris moest een bedevaart doen naar St. Jacob in Galicië met 6 bloedverwanten, en bovendien een kapel stichten die ter beschikking van de gewonde heer Gerrit zou komen. Daar heer Floris deze uitspraak in strijd vond ‘met zijn eer’, weigerde hij deze na te komen. De latere graaf Willem VI, zoon van hertog Albrecht, moest nu weer uit
spraak doen over deze weigering, samen met zijn vader. Zij bepaalden dat de gedane uitspraak niet in strijd was met de eer van heer Floris. Tevens be
valen zij heer Floris om binnen veertien dagen Marquette te verlaten. Maar hoe zat het dan met diens ambtstermijn? Geen nood! De hertogelijke
familie wist daar meteen raad op: heer Gerrit zou aan heer Floris de 1511 Hollandsche schilden moeten betalen, die de hertog nog aan heer Floris
betalen moest! (1400). Heer Gerrit bevond zich in een dwangpositie en aanvaardde de situatie zo
als die daar lag. Hij kreeg zijn slot terug, vóórdat hij betaald had, en betaalde daarna de 1511 Holl. schilden niet! Elfjaar duurde het, voordat hij onder dwang van de opvolger van hertog Albrecht tot betaling werd gedwongen (4 april 1411). Deze nieuwe kwitantie zal heer Gerrit wel opgeborgen hebben in zijn archief, bij die van 8 juli 1399 waarin de hertog hem bedankte voor de diensten die hij te Stavoren bewezen had, en verklaarde dat de koopsom volledig voldaan was!
Heer Gerrit had voldoende reden om geen enkel vertrouwen te stellen in  zijn beide bazen, en toen hij begreep dat hertog Albrecht spoedig zou sterven.
vertrok hij ijlings naar Denemarken. De hertog stierf op 13 december 1404. De zoon, hertog (graaf) Willem VI, haatte Gerrit dusdanig, dat hij
hem een vrijgeleidebrief gaf voor Zeeland, maar onder de uitdrukkelijke voorwaarde, dat hij ‘in mijns heren jegenwoordegheid niet comen
en sal’. Meerdere malen kreeg heer Gerrit dergelijke brieven, die het hem wellicht mogelijk maakten af en toe naar Marquette te gaan. Op 15 augustus 1416.
liet hertog Willem heer Gerrit beloven, dat hij diens dochter gravin Jacoba na zijn dood als gravin van Holland zou huldigen, maar terugkeren naar
zijn bezitting mocht hij ook toen niet, want op 14 mei 1417 kreeg hij weer een vrijgeleide. Is hij toen nog bij zijn aartsvijand geweest? Deze stierf op
31 mei, en werd inderdaad door zijn dochter gravin Jacoba opgevolgd. Heer Gerrit moet een rijk man geweest zijn, want zijn door de grafelijke (hertogelijke) bemoeienissen geteisterde financiën lieten hem toch nog toe van de in geldnood verkerende ‘vrou Jacob’ het eiland Terschelling te kopen.
Ook bij de nieuwe landsvrouwe kwam hij niet in de gunst. Hij weigerde haar te helpen in haar oorlog met haar familielid en Kabeljauwse tegenstander
heer Jan van Arkel, die nu de dupe moest worden van de hebzucht van het grafelijk huis. Als leenman was heer Gerrit echter verplicht haar de
militaire steun te geven die zij verlangde. In het najaar 1417 liet zij door heer Walraven van Brederode het slot Marquette vorderen. Heer Gerrit weigerde hem de toegang; heer Walraven droop af en begaf zich naar Gorinchem om Jacoba bij te staan, doch bekocht dit voornemen met de dood (hij sneuvelde binnen Gorinchem). Op 2 januari 1418 schreef Jacoba aan de slotheer van Marquette een brief, waarin zij hem eraan herinnerde dat heer Walraven het slot had opgeëist, doch dat daaraan niet voldaan was ‘dair ons weijgerinck of ghesciet is, dat wij niet vermoet en hadden’. Zij eist onmiddellijke opening van de poort ‘op dat ons gheen noot en doe anderen raad dair op te hebben’. De brief eindigde met het niet mis te verstane dreigement: ‘hierof uwe bescreve antwoorde bi desen bode, brenger ‘s brieve, daer wij ons na richten mogen’. Toen beging heer Gerrit de fout dat hij steun zocht bij hertog Jan van Beijeren, oom van gravin Jacoba, die aanvankelijk met succes pogingen deed haar het graafschap af te nemen. Jacoba zag het gevaar: zij liet Marquette belegeren en veroveren. Al de bezittingen van heer Gerrit werden verbeurd verklaard.
Hertog Jan bevestigde in een brief aan heer Gerrit de slechte gang van zaken en waarschuwde hem dat hij ook nog kans liep zijn heerlijkheid Oosthuizen  te verliezen; en hoe zou het gaan met de schuld die de gravin aan heer Gerrit had? Om hem gerust te stellen, beloofde hertog Jan hem, dat hij geen vrede met gravin Jacoba zou sluiten, zolang heer Gerrit zijn bezittingen niet teruggekregen had. Mocht heer Gerrit het niet meer aandurven om naar Marquette terug te keren, dan zou hertog Jan het kasteel kopen. Het spreekt wel vanzelf dat hertog Jan zijn vriend heer Gerrit als zijn ‘Raad’ liet deelnemen aan de vredesonderhandelingen.
Deze kreeg daardoor de kans om zijn claim van 500 nobelen als schadevergoeding voor de verwoesting van Marquette gehonoreerd te zien. Dapper vocht hij mee aan de zijde van hertog Jan, was aanwezig bij de verovering van Haarlem en het beleg van Leiden. De hertog vaardigde hem ook af om namens hem onderhandelingen te gaan voeren met Utrecht en Gelre.Er kwam inderdaad een vredesverdrag met de bisschop van Utrecht tot stand (27juli 1422),
maar dit was niet naar de zin van heer Gerrit, zodat hij weigerde de akte te ondertekenen. Utrecht zag niets in een vredesverdrag met Holland dat niet mede bezegeld was door heer Gerrit. Hertog Jan achtte toen de tijd gekomen om met de vrouw van heer Gerrit te gaan praten over het feit dat zijn (‘s hertogen) schuld aan
zijn dienaar heer Gerrit opgelopen was tot 5200 nobels. Naderend onheil, want hierin lag een verkapt dreigement! Een geschikte manier voor een landsheer om van zijn schulden af te komen, was oplegging van boetes en confìsquatie! Toen Utrecht druk uitoefende op hertog Jan om heer Gerrit te dwingen het verdrag te ondertekenen, zag de hertog zijn kans schoon. Hij verbande zijn vriend op 12 mei 1423 uit het land totdat hij zijn handtekening (bezegeling) gegeven had! Heer Gerrit bleef weigeren en vestigde zich in Zaltbommel. Uiteindelijk verloor hertog Jan zijn strijd om het graafschap. Een nieuwe concurrent was er verschenen: hertog Philips van Bourgondië. Dit was te veel voor gravin Jacoba, die ook het hoofd in de schoot moest leggen. Om de rust te herstellen, beloofde hertog Philips als nieuwe landsheer alle schulden ten laste van het grafelijk huis te voldoen. Daar vielen ook de schulden onder die heer Gerrit van Heemskerk nog te vorderen had. Ook kon hij zijn goederen terugkrijgen. Heer Gerrit had echter zo weinig vertrouwen in het nieuwe regime, dat hij zijn voorgenomen reis naar Denemarken
liet doorgaan. Toen schreef de hertog een brief aan de achtergebleven echtgenote en haar dochter, dat zij de leengoederen van haar man zondermeer in gebruik mocht nemen, doch niet de waarde ervan mocht verminderen (18 februari 1427). Heer Gerrit is nooit op Marquette teruggeweest; hij overleed in 1429 in Denemarken.

Toen Gijsbrecht van Vianen ca. 1458 overleed, verliet zijn weduwe Marquette en vestigde zich te Noordeloos. Marquette verhuurde zij aan Jan
van Assendelft, een broer van de slotheervan de Assumburg. Jvr. Meijne bedong echter dat zij 4 à 6 weken perjaar
in het huis zou mogen beschikken over ‘die grote camer, die camer met leijen gedect, die zael mit die zoller (= zolder) daarboven, die koken mit dat portael, die cappelaenskamer, die nije camer die an die zael ende an die koeken getimmerd is ende die paertstal’. Bij de huur, die voor 10 jaar was aangegaan, waren ook inbegrepen de voorburcht en ‘die grote koernscuijr bij die voerste poert en alle die boomgaarden’. De huurder moest het huis ‘dackdicht’ houden met uitzondering
van het ‘poertijerhuijs bijneden an de poort’. De valbrug, die toegang gaf tot het slot, viel echter wel onder de onderhoudsplicht. Toen Meijne van Heemskerk ca. 1475 als weduwe van Gijsbrecht van Vianen te Noordeloos overleed, erfde haar kleinzoon Joost van Strijen van Zevenbergen haar goederen. Haar dochter Gerarda van Vianen was namelijk in 1465 al dood, terwijl haar man, heer Arentvan Strijen van Zevenbergen, pas in 1492 stierf. Hoewel zijn vader dus nog in leven was, werd Joost in 1475 met Marquette beleend. Heel spoedig na zijn belening moet Joost kinderloos overleden zijn, want in het volgend jaar (1476) wordt hij opgevolgd door zijn zuster Maria van Strijen van Zevenbergen, die meer dan 50 jaar Marquette bezeten heeft (1476-1529). Hieraan is het te danken dat het huis ook een tijdlang onder de naam ‘huis te Zevenbergen’ voorkomt. Zelf verbleef zij meestal op haar slot in de stad Zevenbergen. Maria was getrouwd (in 1483) met Cornelis van Berghen,
heer van Grevenbroek, die afstamde van een onwettige zoon van hertog Jan 11 van Brabant. Zeer in de gunst stond hij bij de Roomskoning Maximiliaan, die hem ridder van het Gulden Vlies maakte. Als krijgsoverste diende Cornelis Maximiliaanen keizer Karel V. Toen Maria in 1529 overleed, zou haar zoon
Cornelis van Berghen met Marquette beleend worden. Daar deze echter op het punt stond om naar Rome te reizen, moest hij zijn lenen door een
plaatsvervanger laten verheffen. Doel van de reis naar Rome was, om van de paus een hoge geestelijke waardigheid te krijgen. Cornelis liet zich wijden
tot geestelijke en werd in 1538 bisschop van Luik, welk ambt hij bekleedde van 1538-1544. Het goederenbezit van de familie was voor een deel gekomen aan zijn
broer Maximiliaan, maar toen deze overleed, deed Cornelis afstand van zijn bisdom en leefde als erfgenaam van Maximiliaan nog 16 jaar lang als
grootgrondbezitter (tot 1560). Cornelis was nooit getrouwd geweest, vandaar dat zijn goederen zouden
vererven op zijn zuster Maria, getrouwd met Louis de Ligne, graaf van Barbançon, maar daar zij al vóór haar broer Cornelis overleden was, werd haar zoon Jan de Ligne, graaf van Aremberg, in 1560 erfgenaam van zijn oom, de genoemde Cornelis van Bergen. Als graaf van Aremberg is hij een bekende figuur in onze vaderlandse geschiedenis geworden. Hij was rooms-katholiek gebleven en aanhanger van koning Philips 11. In dienst van de koning sneuvelde hij op 23 mei 1568 in de slag bij Heiligerlee, waar ook graaf Adolf van Nassau zijn leven eindigde. Hoewel zij als vijanden het leven lieten, waren beiden ervan overtuigd, dat zij stierven voor ‘het vaderland’.
Zijn zoon Charles de Ligne, graaf van Aremberg, werd hoewel nog minderjarig, op 26 april 1569 met Marquette beleend. Door zijn huwelijk met Anna van Croy verkreeg hij de titels van hertog van Aarschoten Prins van Chimay.
Koning Philips 11 benoemde hem tot gouverneur der Nederlanden. Daaraan is het te danken geweest, dat Marquette in de Spaanse tijd niet verwoest werd. Hij bewoonde dit kasteel echter niet; het was in 1603 verhuurd aan de beroemde Carel van Mander,die daar aan zijn befaamd ‘schildersboek’ gewerkt heeft, dat in 1604 verscheen. Ook organiseerde hij er een groot schildersfeest. Frans Hals behoorde tot zijn leerlingen. Is deze voor het bijwonen van een les wel eens op Marquette geweest?
Het is niet onmogelijk. Toch was Carel geen echte buitenman; de stad trok hem meer dan het landleven. Zo vertrok hij in 1604 al weer naar Amsterdam,
waar hij twee jaar later overleed. Toen de graaf van Aremberg door het sluiten van het twaalfjarig bestand weer de beschikking kreeg over zijn goederen, meende hij er verstandig aan te doen zijn Hollandse bezittingen van de hand te doen, want hij was ‘besmet’ door zijn trouw aan de Spaanse koning.
Een Henegouws edelman, Danielde Hertaing, heer van Marquette in Henegouwen, verkeerde in een dergelijke positie in de Zuidelijke Nederlanden.
Hij had in dienst van Oranje en de zijnen bij de belegering van Oostende een arm en een been verloren. Zijn trouw aan de opstand maakte het voor hem gewenst zijn Henegouwse bezit te verkopen. Voor het verkregen geld kocht hij van de graaf van Aremberg het slot te Heemskerk (11 juni 1610),dat voortaan de naam
Marquette ging dragen. Danielde Hertaing kreeg officieel toestemming van de Staten voor deze naamsverandering; zelfs moest er een nieuwe beleningsakte
uitgevaardigd worden (1612). Daniel had intussen zijn strijdlust niet verloren: hij bleef de vechtjas van vroeger. Als luitenant-generaal van de cavalerie en tevens gouverneur van Utrecht stierf hij in 1626. In de nu verdwenen kapel bij de kerk te Heemskerk werd hij met grote statie begraven.
Na de dood van zijn vader werd diens oudste zoon Willem de Hertaing beleend (1626)) maar twee jaar later overleed hij ongehuwd. Diensjongere broer Hendrik de Hertaing stierf beladen met schulden. In zijn testament (9 februari 1640) erkende hij zijn schuldenlast en wenste dat Marquette zo spoedig mogelijk verkocht zou worden. Dat is niet gebeurd, want toen hij overleden was, erfde zijn moeder Eleonora de Hennin, gravin van Bossu, Marquette. Zij liet bij haar dood in 1657 het kasteel na aan haar jongste zoon Maximiliaande Hertaing, ritmeester bd de cavalarie hij werd in 1657 beleend. De financielepositie van de Hertaing’s ging nog steeds bergafwaarts.
Executoriale verkoop werd door het Hof van Holland bevolen. Petronella van Wassenaer, weduwe van Adriaan van der Mijle, telde voor Marquette fl. 33.333 neer (28 januari 1665). Haar oudste dochter stelde na de dood van Petronella alles in het werk om Marquette te verkopen. Toen dat niet lukte, werd er toestemming gevraagd en verkregen, om het landgoed, dat toen nog maar 20 ha. groot was, te verloten.
Een kasteel als hoofdprijs in een loterij! Het winnende lot mocht kiezen tussen het kasteel of fl. 40.000, en koos de fl. 40.000, zodat Maria Agatha van der Mijle
noodgedwongen in het bezit bleef.
Toen zij in 1712 stierf, werd een nicht haar erfgename. Deze nicht Wilhelmina Henriette van Reede was gehuwd met Wigbold van der Does, heer van de beide Noordwijken, die haar overleefde. Doordat hij aan de Staten van Holland voorrekende, dat Marquette slechts fl. 694 aan inkomsten opbracht, terwijl de lasten fl. 589 bedroegen, kreeg hij verlof om dit leengoed te verkopen (1717). Dat lukte vlot: een Amsterdamse brouwer Joachim Rendorp kwam als koper opdagen, en op 22 maart 1717 vond zijn belening al plaats. Ook Marquette was dus nu in  koopmanshanden overgegaan. Het behoorde voortaan toe aan de familie Rendorp van Marquette, die in het begin van de 19e (1814 gekochte adel zie adelsboek van Noord Holland) eeuw in de adelstand werd verheven. Tijdens Pieter Rendorp,
die het kasteel van 1730-1760 bezat, werd het ingrijpend verbouwd. Van het oude gebouw bleef vrijwel niets over.
Het 1% eeuwse karakter wordt bevestigd door het jaartal 1741, dat boven de ingang staat. In plaats van een permanent woonhuis werd het een buitenhuis
dat alleen maar af en toe bezocht werd. Willem Rendorp heeft in 1802 het laatste restant van het alleroudste kasteel, het rondeel, laten afbreken.
Vervolgens maakte jhr. Jacob Rendorp van Marquette de gehele rechter vleugel van Marquette met de grond gelijk (1828). Ook de kapel verdween
(eveneens in 1828 of al vroeger?). De overgebleven vleugel werd echter grondig gerestaureerd. Jhr. Jacob Rendorp ging toen hij als cavallerie-officier gepensioneerd was, op Marquette wonen. Na burgemeester van Heemskerk te zijn geweest, vestigde hij zich in Den Haag, waar hij in 1879 overleed.
Zijn vrouw jvr.  A.M. C. Deutz van Assendelft erfde bovendien nog de Assumburg, zodat  hun dochter jvr. Paulina Johanna Rendorp van Marquette beide kastelen
aan haar man jhr. Jan Hugo Gevers ten huwelijk bracht. Daardoor kwam het, dat de Assumburg onbewoond bleef, want de familie Gevers woonde
op Marquette. Alles wat nog waardevol was, werd van daar naar Marquette overgebracht, waarna de Assumburg verkaveld en het kasteel zelf in 1911 aan het Rijk werd overgedragen. De familie Gevers heeft Marquette nog lang bewoond: jhr. mr. Hugo Gevers, zoon van jhr. Jan Hugo, was burgemeester van Heemskerk en lid
van Provinciale Staten van Noord-Holland. Na de dood van hem en zijn vrouw jvr. Pauline Adrienne van Lennep, vererfde Marquette op hun kinderen.
Het kasteel was nauwelijks meer te bewonen. De schade die het door de Duitse bezetting geleden had, was maar gedeeltelijk hersteld.
Op 7 oktober 1977 transporteerde jhr. A.D.Th. Gevers zijn bezit aan de B.V. onroerende goederen Mij ‘de Omval’, onder beding dat hij tot zij
dood het kasteel mocht blijven bewonen. Het lag in de bedoeling de gronden te verkavelen. Toen hiervoor geen toestemming te verkrijgen was, en
bovendien de directeur van de B.V. overleed, werd het gehele complex overgedaan aan de Mij. Scholten-Rijs-Scholten. Nadat het bewoningsrecht van de familie Gevers was afgekocht (1979), bood de Mij. het landgoed voor fl. 2.750.000 te koop aan de provincie, met uitzondering van het kasteel en de daarbij gelegen boerderij. Op 30 juni 1980 zal het transport aan de Provincie plaatsvinden. ‘De Mij. zal het kasteel voor fl. 2.000.000 restaureren en als conferentieoord gaan verhuren. In de boerderij wordt een horecabedrijf gevestigd. Het is te hopen dat het kasteel behouden blijft. Zorgelijk lijkt het plan dat bij de boerderij een hotel gebouwd
wordt. Indien dit te dicht bij het kasteel komt te staan, zou dat aan het geheel veel afbreuk doen. Een nauwlettend toezicht op de gang van zaken
is wel zeer gewenst. Het kasteel bestond oorspronkelijk slechts uit een grote ronde toren waarvan de restanten in 1802 door Willem Rendorp
werden afgebroken. Op het voorplein van dit ronde kasteel werd in de 13’eeuw een ‘vierkante’ burcht gebouwd, waarvan ook niets bewaard gebleven is. Hoewel Marquette in de Spaanse tijd niet verwoest werd, is er van het middeleeuwse kasteel niets terug te vinden in het huidige gebouw. Dit dateert uit de 17’
en 18 e eeuw.

 

 

Maar er is een fantastisch volksverhaal over de Heren van Egmond en de Heren van Heemskerk.

Bronvermelding

- Opstel gemeente Heemskerk.
- Cobouw artikel Marquette.
- Koerier krantenartikel 1985.
- Nederlandse Kastelen A.I.J.M. Schellart blz 185.
- Heemskerk onderweg van verleden naar heden, blz 66-80- - 184 - 189.

AFBEELDINGEN:

- 16e eeuw ?
- 1630 Rademaker twee keer.
- 1640 Roghman twee keer.
- Foto's Poortingang P. Alles.
- Dia's  P. Alles 1987
 

 

 

© Het Hollandse Kastelenteam 2011 - alle rechten  voorbehouden